Leonard Nolens wint C. Huygensprijs

ROTTERDAM, 11 SEPT. “Mijn droom is dat ik wonderbaarlijke dingen kan zeggen in heel simpele taal”, zei Leonard Nolens zes jaar geleden in een interview in het Cultureel Supplement. Nolens, die in 1969 debuteerde met de bundel Orpheushanden en sindsdien tien dichtbundels en een reeks dagboekaantekeningen publiceerde, kreeg gisteren de Constantijn Huygensprijs van de Jan Campertstichting - als eerste Vlaming na Hugo Claus (1979).

Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947) bouwde in de jaren zeventig naam op als een moeilijk toegankelijke, retorische dichter, die in vrije verzen schreef over eenzaamheid, dood en het (on)vermogen van taal om emotie over te brengen en te communiceren. Naar eigen zeggen nam hij rond 1980 afstand van de 'gekunstelde' poëzie van het begin van zijn loopbaan na een verblijf aan de Writer's Workshop aan de Universiteit van Iowa. In bundels als Hommage (1981), Vertigo (1983) en De gedroomde figuur (1986) experimenteerde hij met meer spreektaal, meer zakelijkheid en wat hij noemde een 'natuurlijke manier van schrijven.' In recente dichtbundels als Honing en as (1994) en En verdwijn met mate (1996) ontpopte Nolens zich als een melodieuze dichter met, zoals Guus Middag het in deze krant uitdrukte, 'een voorkeur voor het brede, trage, rustig variërende en uitdijende zingen' op het gevaar af van 'grote woorden, vage verbanden en hevige romantiek.'

Bekendheid in Nederland kreeg Nolens vooral door zijn verzamelde gedichten (Hart tegen hart, 1990), gepubliceerd in hetzelfde jaar dat hij de Jan Campertprijs kreeg voor zijn bundel Liefdes verklaringen. In de spaarzame interviews die hij sindsdien gaf, liet Nolens zich kennen als een dichter-kluizenaar die zijn gedichten schreef in een boshut bij Edegem, leefde voor de poëzie (“iedere dag in grote onzekerheid, op het scherpst van de snede”), en geobsedeerd was door taal. “Wij lopen rond met een kerkhof op onze rug”, zei hij in het CS. “We zitten opgescheept met woorden die een bepaalde betekenis hebben. Je moet als dichter achterhalen wat de taal van de mensen is, en dat is je materiaal.”

Nolens, die in zijn laatste bundel ook eenvoudige liefdesliedjes en een reeks Hugo Claus-pastiches opnam, is vaak verweten pathetisch te zijn. Hij verdedigde zich in het gedicht 'Paranoia', opgenomen in Hart tegen hart, dat begon met de zin 'Ze zeggen dat dichters hun tong in bedwang moeten houden' en uitkwam op 'Ik kan het ook niet helpen, de subliemste prosodie/ Komt uit de darmen.' Wat niet wil zeggen dat Nolens een impulsief dichter is; hij is een zoekend perfectionist die, zoals hij het zelf in 1991 formuleerde, zijn kinderen geen rotzooi wil nalaten. Want: “Een belangrijk criterium is voor mij: is het goed genoeg om op mijn graf te staan.”