Inhaalslag met hoge banengroei

In deze kabinetsperiode (1994-1998) zal de werkgelegenheid toenemen met ongeveer 430.000 banen. Zo'n stijging van ongeveer 110.000 volledige banen per jaar komt neer op een groei van bijna twee procent per jaar. In West-Europa slagen alleen Ierland en Finland erin zo'n snelle groei in de werkgelegenheid te realiseren.

De werkgelegenheidsgroei is nu ook sneller dan die in de Verenigde Staten. Afgezien van een incidenteel jaar waarin de Amerikaanse economie in recessie verkeerde, is dat sinds 1960 niet meer voorgekomen. Voor een deel ligt de verklaring van het succes in een inhaalslag vanuit een zwakke startpositie. In de periode 1981-1983 daalde de werkgelegenheid in Nederland met zes procent, omdat een wereldwijde recessie ontstond in een periode waarin het bedrijfsleven hier financieel was uitgehold door verkeerd beleid in de jaren zeventig. De crisis was in Nederland ernstiger dan overal elders in Europa, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk. Nu ligt de crisis van het begin van de jaren tachtig al weer vijftien jaar achter ons, maar nog steeds is de snelle groei van de Nederlandse werkgelegenheid voor een belangrijk deel een uitvloeisel van wat toen gebeurde. In de winter van 1982 op 1983 wist het nieuwe kabinet-Lubbers I immers de verkeerde trend in de overheidsuitgaven radicaal om te buigen en werd tegelijkertijd duidelijk dat onze wisselkoers niet meer zou veranderen ten opzichte van de Duitse mark. Vakbonden en werkgevers begrepen dat gedurende vele jaren een lage loonstijging was geboden.

En die kwam er: 1982 was tot op heden het laatste jaar waarin de loonstijging in Nederland hoger uitviel dan in Duitsland. Zo bouwde Nederland over een periode van intussen 15 jaar een steeds groter kostenvoordeel op tegenover onze grootste handelspartner. Al bij het aantreden van het paarse kabinet was duidelijk dat Nederland erin zou slagen het financieringstekort in 1997 en 1998 zonder probleem onder de vereiste 3 procent te krijgen. Dat elimineerde een vervelende bron van onzekerheid, die wel bestond in Duitsland en Frankrijk en bijvoorbeeld ook in Spanje en Italië. De Nederlandse regering kon zich rustig houden aan het regeerakkoord uit 1994 met daarin een vierjarenplan voor de uitgaven, zonder nervositeit over de precieze uitkomsten voor het tekort van jaar op jaar.

Er is geen econometrische formule die objectief kan aangeven hoeveel al deze gunstige factoren hebben bijgedragen tot de sterke groei van de werkgelegenheid over de periode 1994-1998. Kennelijk deed Nederland het beter dan de meeste omringende landen, en de voornaamste oorzaken zijn hierboven aangestipt, maar het precieze gewicht daarvan laat zich niet bepalen. Ook is economische groei voor een belangrijk deel een kwestie van vertrouwen bij het bedrijfsleven, maar ook het precieze effect daarvan is niet te berekenen. Duidelijk is wel dat van de ongeveer 500.000 extra banen (inclusief parttime functies) er naar schatting ongeveer 50.000 bestaan uit gesubsidieerde Melkertbanen. Niet meer dan tien procent dus. Het zou echter onbillijk zijn het kabinetsbeleid slechts krediet te geven voor deze tien procent en het bedrijfsleven dank te zeggen voor de overige negentig. Dankzij het kabinet werden de werkgeverslasten voor laagbetaalde functies verlaagd en werden uitzendbureaus eindelijk toegelaten in de transportsector, de grafische sector en de bouw. Verder werden de spelregels op de arbeidsmarkt enorm verbeterd door ontslagprocedures via de kantonrechter eenvoudiger en voorspelbaarder te maken. Al deze maatregelen waren belangrijk, maar opnieuw geldt dat geen formule kan vertellen hoeveel zij precies bijdroegen tot de totale banengroei. De OESO, de organisatie van geïndustrialiseerde landen, verschaft wél een meetlat om de prestaties van het kabinet te beoordelen. Kort voordat het kabinet begon, publiceerde deze Parijse organisatie een grote studie naar de oorzaken van de langdurige werkloosheid in Europa, met systematisch onderbouwde aanbevelingen om meer mensen aan het werk te krijgen. In februari 1996 publiceerden de OESO-onderzoekers een checklist, specifiek voor Nederland met aanbevelingen die rekening houden met de Nederlandse geschiedenis en met typisch Nederlandse details in de sociale verzekeringen en het arbeidsrecht. Lof heeft de OESO voor de lastenverlichting aan de onderkant van de arbeidsmarkt en voor de Melkertbanen. Ook de acties van minister Wijers (Economische Zaken) met de winkelsluitingstijden en de successen van minister Melkert (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) om meer ruimte te bieden aan uitzendbureaus oogsten waardering. “Dat zijn stappen in de goede richting die sommige oorzaken van de onbevredigend lage werkgelegenheid zullen wegnemen”, zegt de OESO. “Maar nog steeds moet het Nederlandse loonsysteem veel flexibeler worden, met grotere variatie in de lonen. Ook blijven de uitkeringen genereus in vergelijking tot andere OESO-landen en blijft het onaantrekkelijk voor werklozen en bijstandsontvangers om actief naar werk te zoeken.” De zorgvuldig geformuleerde uitspraken van de OESO laten globaal zien wat het kabinet wel en niet heeft bereikt. In veel opzichten staat de arbeidsmarkt er beter voor dan bij het aantreden van het kabinet in 1994. Het bleek echter een psychologische en economische fout om WAO'ers wel aan herkeuringen te onderwerpen, maar sommigen van hen daarna te verwijzen naar banen als bonzaiboomkweker. Bevredigend tot goed is het rapportcijfer voor de drie ministers die het meest bij de werkgelegenheid zijn betrokken. Minister Zalm (Financiën) krijgt impliciet een compliment omdat de OESO in haar wensenlijst niet eens meer hoeft te noemen dat de Nederlandse inflatie laag moet blijven en het financieringstekort beheersbaar. Dat was al bereikt onder de vorige regering en Zalm heeft die stabiliteit weten te consolideren en zelfs nog te verbeteren als het gaat om de tekorten en de schuld van de overheid. Het grootste compliment voor hem is dat hij in de prioriteiten van de OESO niet eens meer hoeft voor te komen. Minister Wijers heeft een groot succes geboekt bij het doorzetten van ruimere winkeltijden - hetgeen zijn voorganger Andriessen vier jaar lang niet was gelukt - en met een nieuwe mededingingswet. Nederland is nu aanzienlijk minder een kartelparadijs dan toen Wijers begon. Deregulering en marktwerking hoeven op zich niet direct banen te scheppen, maar verbeteren de kwaliteit van 'Standort Holland' en moedigen dus bedrijven aan om zich hier te vestigen c.q. ons land niet te verlaten. Ten slotte minister Melkert (Sociale Zaken en Werkgelegenheid), die het meest direct verantwoordelijk is voor de werkgelegenheid. Met succes brak hij het verzet van de werkgeversorganisatie VNO-NCW tegen gesubsidieerd werk. Ook wist hij instemming in het kabinet te verkrijgen voor naar Nederlandse begrippen tamelijk verregaande verlagingen van de werkgeverslasten voor laagbetaald werk. En, haast wonderbaarlijk voor een continentaal-Europese overlegeconomie, hij wist belangrijke verbeteringen te realiseren in het ontslagrecht en in de positie van uitzendbureaus op de arbeidsmarkt.

Daarmee ging Nederland op een aantal cruciale punten meer lijken op Angelsaksische landen, met behoud van de traditie als welvaartsstaat. Samenvattend: de drie meest betrokken ministers voor het werkgelegenheidsbeleid, Melkert, Zalm en Wijers, bleken in belangrijke opzichten succesvol.