'Ik hou vooral van dingen uitwissen'

De Engelse zanger Finley Quaye roept tegengestelde reacties op: men vind hem onuitstaanbaar arrogant of lekker eigenwijs. Zelf wil Quaye, die optreedt op het Crossing Border Festival “mensen samen brengen, cool zijn, en er voor zorgen dat er prettige geuren in de lucht hangen”.

Finley Quaye treedt a.s. zaterdag, 13/9, op tijdens het Crossing Border-festival in Den Haag. Zijn album Maverick A Strike wordt door Epic op 22 september uitgebracht.

AMSTERDAM, 11 SEPT. Tijdens zijn optreden op het Lowlands-festival verdeelde de Engelse zanger Finley Quaye de toeschouwers al snel in voor- en tegenstanders. Sommigen liepen - 'Jezus wat sloom zeg' - door naar andere optredens, anderen wiegden mee op de ontspannen, opgewekte reggaepop, een verademing tussen de harde en ruige Lowlands-muziek.

Quaye's uitstraling roept even tegengestelde reacties op: onuitstaanbaar arrogant of lekker eigenwijs. Zoals hij, met een stonede glimlach op zijn gezicht over het podium kuierde, wekte Quaye de indruk dat het hem onverschillig liet of het publiek hem goed vond.

Hij lijkt het zich te kunnen veroorloven: zijn debuut-album Maverick A Strike is zo aanstekelijk en toegankelijk - en zowel eigenzinnig als commercieel - dat het van Finley Quaye waarschijnlijk snel een ster zal maken. Vooral zijn stem, krachtig en lenig, die hij met veel gevoel voor soul gebruikt, maakt Quaye's muziek onmiddellijk herkenbaar en onweerstaanbaar. De opvallende single 'Sunday Shining', een fris klinkend, energiek nummer, is één van de hoogtepunten van de zeer diverse cd, waarop reggae-, jazz-, blues- en rockinvloeden te horen zijn.

De 22-jarige Finley - Gaelic voor 'zonneschijn' - komt uit een half Schotse, half Ghanese familie, die meer muzikanten telt. “Van mijn vaders kant komt de muziek, van mijn moeders kant snooker en biljart”, merkt hij op. Zijn vader Cab was jazzpianist, zijn halfbroer Caleb gitarist, en zijn neef is de bekende triphop-muzikant Tricky, die zijn album Maxinquaye noemde naar zijn moeder Maxine - Finley's oudere zus. Hij werd geboren in Edinburgh, groeide op in achtereenvolgens Londen, Manchester, Sheffield en Barnsley, en woont nu weer in Edinburgh. In Manchester begon hij als MC - “over platen heen kletsen” - en maakte hij kennis met de dance-muzikant A Guy Called Gerald, die hem vroeg te zingen op een nummer. Op zijn zestiende begon Finley, die zichzelf had leren drummen en gitaarspelen, zijn eigen liedjes te zingen.

Wat hij doet omschrijft hij zelf als “oefenen, mensen samen brengen, positief zijn, cool zijn, en er voor zorgen dat er prettige geuren in de lucht hangen” - waarmee hij vooral marihuana-geuren lijkt te bedoelen. Het resultaat is “muziek die door de tijd reist, die je in staat stelt te mediteren en te genieten, beelden oproept en geesten tot leven brengt. Muziek die stemmingen oproept, daar komt het op neer.”

De vette joint die hij heeft opgestoken - “Rook je niet? Je weet niet wat je mist.” - bevordert Finley's helderheid tijdens het gesprek niet, al kost het hem geen moeite een lijstje op te noemen van muziek waar hij graag naar luistert. “Stop Making Sense van Talking Heads, Beggars Banquet van de Rolling Stones, Frank Zappa's Hot Rats - wat ik geen goede plaat vond, maar ik heb er wel naar geluisterd - Abraxas van Santana, Pink Floyd, de video van Woodstock, het optreden van Freddie Mercury in het Wembley-stadion in 1985, ook op video...” Mercury rekent hij, met Peter Green, J.J. Cale en Bob Marley, tot zijn favorieten. “De mensen die ik bewonder, hebben hun leven gewijd aan het communiceren via muziek, waarmee ze een humanitaire boodschap van hoop overbrengen. Ze maken je gevoelig, en laten je het verschil beseffen tussen goed en kwaad, liefde en haat, lachen en huilen.”

Over zijn werkwijze in de studio is Finley, inmiddels zozeer in hoger sferen dat er weinig zinnigs meer uit hem komt, kort. Hij zegt de mix en de produktie minstens zo belangrijk te vinden als de opnamen: “Het mengpaneel is een instrument op zich.” Hij lacht. “Ik hou vooral van dingen uitwissen. Als de mix van een nummer af is, zet ik die op een diskette, en wis de afzonderlijke partijen uit, zodat er geen andere mix meer mogelijk is. Ik heb een hekel aan remixes, of iets opnieuw masteren om het beter te laten klinken op dure stereo's, zeker als het zonder toestemming van de artiest gebeurt.” De mogelijkheid dat hij over een tijdje toch een andere mix zou willen maken, wuift hij zelfverzekerd weg. “No way, man.”