Gaten in de marktwerking

Het kabinet had het thema 'marktwerking' hoog op de agenda staan. Dat is niet op alle beleidsterreinen consequent doorgevoerd, zoals blijkt uit deze voorbeelden.

Sociale zekerheid en arbeidsmarkt Op deze terreinen zouden organisatorische veranderingen worden doorgevoerd. De rol van de sociale partners zou worden teruggedrongen en de uitvoering zou worden verbeterd onder meer door invoering van de één-loket-gedachte. Dat wil zeggen: een nauwe samenwerking tussen arbeidsbureaus, sociale diensten en uitvoeringsorganen voor de sociale verzekeringen (zoals het GAK). De bedoeling is dat werklozen voor het verkrijgen van een uitkering en voor het zoeken naar een baan niet meer bij allerlei instanties hoeven te zijn, maar op één adres terecht kunnen.

Een negatief rapport over het functioneren van de arbeidsbureaus leidde tot een besluit binnen een paar jaar concurrentie toe te laten voor alle activiteiten. Ook het GAK en de andere uitvoeringsorganen in de sociale zekerheid kregen te horen dat hun monopolie zou verdwijnen. De precieze vorm van de concurrentie in deze sectoren bleef echter onduidelijk. De nieuwe wetgeving over de WAO bood ruimte voor premiedifferentiatie in de verzekeringen tegen arbeidsongeschiktheid, maar het bleef ook onduidelijk of veel bedrijven daarvan gebruik zouden maken, ook al omdat bij het debat over die wet waarschijnlijk te weinig was nagedacht over negatieve consequenties voor het aannemen van nieuw personeel door bedrijven.

Het arbeidsmarktbeleid ondervond verder een ernstige handicap in de vorm van regelgeving op het terrein van de financiële verhoudingen tussen rijk en gemeenten. Het bleek bijna alle grotere gemeenten geld te kosten wanneer het aantal ontvangers van een bijstandsuitkering afnam, omdat het rijk niet alleen negentig procent vergoedt van de uitkering, maar daarboven voor de administratie van de bijstand een vergoeding verstrekt die aan het aantal uitkeringsgerechtigden is gekoppeld. Daardoor worden gemeenten bepaald niet gestimuleerd uitkeringsgeld om te zetten in werk.

Ondanks de bijdrage van de Melkertbanen aan de groei van de werkgelegenheid was ook hierbij sprake van financiële constructiefouten. Zij moesten gesubsidieerde kansen bieden aan vooral langdurig werklozen. Het loon was zo nauw bemeten dat veel ex-werklozen in een Melkertbaan niet of nauwelijks verschil zagen met hun uitkering.

Kartelvorming Bij de bestrijding van de kartelvorming was het ministerie van Economische Zaken niet op alle terreinen succesvol. Een campagne om de notaristarieven vrij te geven liep vast, onder andere op verzet bij de VVD. Ook het boekenkartel en het krantenkartel werden verlengd, evenals het verbod dat autodealers ervan weerhoudt om net als handelaren in motorfietsen verscheidene merken te voeren. Minister Wijers werd bij de campagne voor marktwerking en deregulering belemmerd door het feit dat de regels voor notarissen, apothekers, medisch specialisten of het loodswezen zelden uitsluitend onder zijn ministerie vallen. Daardoor was voor de beleidswijziging actieve medewerking nodig van een vakdepartement, waar de lobby van de beroepsgroep sterk is vertegenwoordigd.

Openbaar vervoer Het beleid van minister Jorritsma om in het openbaar vervoer concurrentie door te voeren, was aarzelend. In het lokaal en regionaal vervoer hield de overweldigende marktpositie van VSN, het overkoepelende bedrijf van streekvervoerders, voorlopig stand, ondanks het feit dat hier en daar private aanbieders bewezen met minder overheidssubsidies rond te kunnen komen. Op een ander gebied, maar onder verantwoordelijkheid van dezelfde minister, was er wel sprake van meer vrije markt. De PTT kreeg, evenals andere telefoondiensten in West-Europa, concurrentie. Het gevolg: er barstte een tarievenslag los met prettige gevolgen voor de consumenten.

Volkshuisvesting Het ministerie van Volkshuisvesting verkeert nog sterk onder invloed van planmatig denken. Het gevolg is dat 572 gemeenten zich kunnen beroemen op identieke straten met eenvormige eengezinswoningen, gebouwd volgens gedetailleerde rijksnormen.

Bleek uit woningbehoefte-onderzoek dat de gemiddelde Nederlander de voorkeur geeft aan een woonplaats van minder dan 100.000 inwoners, toch hield het rijk vast aan woningbouw in en bij de grote steden. Het 'Vinex'-beleid resulteerde in grondprijzen van 600 à 700 gulden per vierkante meter en steeds krappere bouwkavels. Opnieuw spelen hier spelregels in de financiële verhoudingen parten: steden en hun ambtelijk apparaat hebben baat bij een stijgend aantal inwoners, zodat lokale bestuurders zich vooral richten op uitbreiding van het inwonertal.

Volksgezondheid Minister Borst voerde incidentele gevechten met de apothekers over de internationaal hoog gebleken prijzen van geneesmiddelen en liet tevens het zwaard van Damocles van de ambtelijke status nog iets lager zakken boven het hoofd van de medisch specialisten. Fundamentele veranderingen in de machtsverhoudingen of in de toegestane concurrentie tussen verzekeraars, aanbieders en ziekenhuizen bleven echter uit. In de thuiszorg was een bescheiden mate van concurrentie toegestaan, zonder dat het kabinet zich had gerealiseerd dat nieuwe aanbieders niet bereid zouden zijn zich te conformeren aan bestaande CAO-regels en gegroeide arbeidspraktijken. De introductie van private partijen leidde van die kant tot heftige protesten waarvoor staatssecretaris Terpstra het hoofd boog.

Onderwijs Marktwerking kreeg geen ruimte op het terrein van Onderwijs en Wetenschap. Zo stelt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor vrijwel alle universiteiten en hogescholen centraal de collegegelden vast, evenals de studieduur en de salarisschalen.