Een zeer Nederlands mediaprogramma

Een mediaprogramma beginnen, dat is voor programmamakers de laatste jaren een bijna suïcidale daad gebleken. Het ene na het andere probeersel ging al snel roemloos ten onder, zoals Stop de persen en Medialand. De buitenwereld is kennelijk minder nieuwsgierig naar de journalistieke keuken dan wij, journalisten, in onze eigenwaan aannemen.

De enige die op mediagebied een succesvol programma heeft gemaakt, was Aad van den Heuvel in de jaren tachtig met zijn Alles Is Anders Show. Dat programma bracht een interessante mix van journalistieke wetenswaardigheden en buitenjournalistieke gasten (om de een of andere reden herinner ik me vooral de markante optredens - misschien zijn het er maar twee geweest - van uitgever Geert van Oorschot.)

De VPRO probeert het dit seizoen met een tweewekelijks mediaprogramma, Het blauwe licht genaamd. De gastheren Anil Ramdas en Stephan Sanders praten met twee gasten - gisteren, in de eerste aflevering, waren dat Ian Buruma en Bastiaan Bommeljé - aan de hand van tv-beelden, foto's en krantenberichten over een aantal onderwerpen.

Het was een geanimeerde uitzending, waarin met veel vuur werd gediscussieerd. Mij werd alleen niet helemaal duidelijk waarom het een mediaprogramma moet worden genoemd. Weliswaar ging aan elk gespreksonderwerp een filmpje of foto vooraf, maar in de meeste gevallen sprong de discussie al snel over naar de kwestie achter die beelden. Film en foto waren niet meer dan een alibi om de actuele problemen van de wereld snel door te nemen. Een soort Buitenhof, maar dan wat minder plechtstatig.

Alleen over de begrafenis van Diana bloeide even een discussie op waarin de rol van de media zélf de inzet was. Eindelijk! Zo'n discussie heb ik de dagen na de begrafenis tevergeefs gezocht op de Nederlandse tv. Zondag, the day after, liet Buitenhof vreemd genoeg de zaak rusten, in tegenstelling tot de buitenlandse collega's van Presseclub (ARD) en Meet the press (NBC).

Bommeljé, wiens sweeping statements het hardst aankwamen, stelde de media min of meer aansprakelijk voor de volkshysterie rond de dood van Diana. Hij had het over 'de camera die de werkelijkheid creëert'. “Sentiment, rouw, verdriet gaan volledig door elkaar lopen door het optreden van de camera”, zei hij. “Je krijgt daardoor een repeteereffect. Het beeld dwingt de werkelijkheid af. Je weet niet meer of het om waarachtige emoties gaat of om afgedwongen sentimenten.” Leggen mensen bloemen neer uit een diep gevoelde behoefte, of omdat ze het anderen hebben zien doen in aanwezigheid van camera's - dat is, volgens Bommeljé, de kwestie.

Een interessante theorie, al geloof ik er persoonlijk niet in: camera's kunnen een werkelijkheid hooguit marginaal beïnvloeden, maar niet doen onstaan. Het is juist de ervaring van documentairemakers, fotografen en journalisten dat mensen hun aanwezigheid na een poosje vergeten en zich weer naturel gaan gedragen: zie de documentaires van Wiseman en de vele voorbeelden in de sociale fotografie.

Hoe het ook zij, Bommeljé had hier een kluif te pakken waarin ik ook graag de tanden van de anderen had gezien, maar helaas, zelfs bij de VPRO lijden ze soms aan het typische tv-syndroom van hebben- we-wel-genoeg-onderwerpen-anders-wordt-het-misschien-saai.

Zodoende joegen deze vier welbespraakte heren er in een half uurtje vijf onderwerpen doorheen die elk een discussie van minstens een kwartier waard waren geweest. Het ging over Diana, de bekeringsarbeid van een zendeling-arts in de Andes (waarbij en passant de geloofsoorlog in Zuid-Amerika werd meegenomen), de keuze van Kluivert in het Nederlands elftal, de toestand van de vrouw in Iran en de uitzetting van meneer Gümüs. Alleen aan het wereldraadsel kwam men niet meer toe, maar het scheelde niet veel.

In die zin was Het blauwe licht dan ook een zeer Nederlands programma: wij, moralisten als wij zijn, hebben nu eenmaal overal een mening over. Alleen Buruma - hij was dan ook de minste Nederlander in het gezelschap - merkte op zeker moment laconiek op: “Wat weten wij nou van Iran om hierover te kunnen praten?”