Chinese arbeider hecht aan baan bij staat

Morgen begint in Peking het 15de congres van de communistische partij. President Jiang Zemin zal waarschijnlijk stappen aankondigen om de privatisering van de staatssector te versnellen. Veel arbeiders zitten daar niet om te springen.

TIANJIN, 11 SEPT. Voor de werknemers van de schoenenfabriek in Tianjin, de havenstad 120 kilometer ten zuidoosten van Peking, is het een kwestie van vertrouwen. Vertrouwen in stabiliteit, vertrouwen in het Chinese leiderschap en vertrouwen in de finale breuk met het verleden, twintig jaar geleden, toen een einde kwam aan de Culturele Revolutie, een periode waarin instabiliteit, armoede en chaos centraal stonden in het leven van iedereen.

“Al zou ik duizend gulden per maand verdienen, ik vertrek van mijn leven niet”, zegt één van de werknemers van het staatsbedrijf in antwoord op de vraag of het vooruitzicht op een hoger loon bij een privé-onderneming niet aantrekkelijker is dan door te blijven werken in de schoenenfabriek voor tweehonderd gulden per maand. “Ik werk hier nu 22 jaar. Ik heb een huis, krijg mijn medicijnen vergoed, ben verzekerd van een pensioen en dat alles wens ik graag te behouden.” Zijn collega's, die allen evenals hijzelf boven de veertig zijn, knikken instemmend.

De kranten in China staan vol van verhalen over de verlieslijdende staatsbedrijven, fusies, bedrijfsverkopen en faillissementen, maar aan de werknemers in de sobere en rokerige kantine van de schoenenfabriek zijn die berichten niet besteed. Niemand gelooft het slachtoffer te kunnen worden van de voorgenomen plannen van de Chinese partijtop om de staatssector, die het land jaarlijks handenvol geld kost, op grote schaal in te krimpen en om te vormen tot moderne ondernemingen. “De staatsbedrijven zijn de ruggegraat van de Chinese economie”, zegt een andere werknemer van de fabriek de in een ideologische crisis verkerende propaganda na. “Niemand van ons waagt zich aan de onzekerheid van een bedrijf dat niet de bescherming van de staat geniet. Wie weet, sta je dan van de ene op de andere dag op straat.”

Dat evenwel is - als het aan president Jiang Zemin ligt - precies wat voor vele miljoenen werknemers van de staatssector, na morgen, tijdens de openingsrede van Jiang ten overstaan van de 2048 gedelegeerden van het vijftiende congres van de communistische partij, in het verschiet ligt. De communistische regering staat met de rug tegen de muur. Van de 300.000 staatsondernemingen, waar in totaal rond de honderd miljoen mensen werkzaam zijn of zouden behoren te zijn, verkeert meer dan zestig procent in de rode cijfers. Steeds meer arbeiders hangt ontslag boven het hoofd en met een enorme toename van het aantal arbeidsconflicten, in vergelijking met het vorige jaar met 60 procent, en openlijke protesten en stakingen in de regio, is duidelijk dat miljoenen Chinese arbeiders vrijwel aan het eind van hun latijn zijn.

Pagina 4: 'Onze leiders begrijpen het belang van stabiliteit'

In de noordoostelijke industriestad Shenyang, die met een grote concentratie staalfabrieken geldt als het belangrijkste centrum van de staatssector in China, is volgens officieuze bronnen zeker 85 procent van de fabrieken gesloten. Ook wanneer van overheidswege is bepaald dat sommige van die bedrijven niet bankroet zouden mogen gaan. Honderdduizenden arbeiders zijn naar huis gestuurd in afwachting van 'het goede nieuws' dat altijd uitblijft. Velen van hen verdienen hun geld met banen in de vrije sector. Ze verkopen fruit, sigaretten of vegen straten.

Het alom verwachte voorstel van Jiang Zemin om het aandeel van de staat in de economie, sneller dan voorheen, te verminderen en de staatsbedrijven op grote schaal om te vormen tot bedrijven met een moderne bedrijfsleiding, gaat gepaard met grote risico's. De 'gemengde economie' waar Jiang regelmatig over heeft gerept, waarbij “de diversiteit van het begrip eigendom volledig zal worden erkend”, druist in tegen de letter van de Chinese grondwet. Daar immers staat geschreven dat staatseigendom de essentie is van het socialisme. En vele, met name behoudende politici, verzetten zich tegen het vooruitzicht van een economie waarbij bedrijven het eigendom zijn van aandeelhouders of zelfs enkele individuen.

Jiang heeft zich de afgelopen maanden, tijdens de discussies die aan het partijcongres zijn voorafgegaan, in duizend bochten gewrongen zijn plannen te verkopen als ideologisch correct. In een toespraak die Jiang in mei dit jaar leverde ten overstaan van de Centrale partijschool, benadrukte de president die tevens partijchef is, dat “China zich nog altijd bevindt in de eerste fase van het socialisme.” Jiang suggereerde daarmee dat de Chinese regering, waar het de collectivisatie van de economie betreft, misschien te ver is gegaan, en dat de ideologische stap terug gepast is. Met andere woorden: privatiseren is geoorloofd en dat wat op kleinere schaal overal in China al wordt toegepast, mag ook op grotere schaal.

Voorts hebben de gematigde politici in de partijtop benadrukt dat privatisering het verkeerde woord is voor de ontwikkeling die plaats heeft. Zij redeneren dat aandeelhouders doorgaans geen individuen zijn, maar beleggers van staatsinstelling. Daarom houden zij zich liever aan de term corporatisering.

Een ander probleem geldt de geringe populariteit onder de Chinese bevolking voor de gedeeltelijke of gehele afschaffing van de staatssector. Anders dan ten tijde van Deng Xiaoping, toen hij tijdens het derde plenum van het elfde partijcongres in 1979 de afschaffing van de communes op het platteland voor elkaar kreeg, genieten de plannen van Jiang geen brede steun. Jiang zou met grootschalige ingrepen binnen de staatssector indruisen tegen de belangen van zijn belangrijkste groep sympathisanten in China: het stedelijk proletariaat. Door de maatregelen zullen zij hun garanties op een baan, een pensioen en een huis verliezen.

De krachtige beslissingen die derhalve genomen en vooral uitgevoerd moeten worden, verdienen een krachtige leider en dat is Jiang Zemin niet. De partijleider, die het produkt is van de socialistische planeconomie, lijkt ook niet echt overtuigd van zijn eigen plannen. Hij is veel te lang binnen de staatssector werkzaam geweest om leiding te kunnen geven aan een moderne vrije markteconomie. Tegelijkertijd voert Jiang een omzichtige, maar verbeten strijd met de behoudende partijleden die hem hebben beschuldigd een pad te bewandelen dat sterk afwijkt van het socialisme. Linkse communisten geloven dat Jiang China ten gronde richt.

Ten slotte rest de alom bestaande scepsis onder de miljoenen werknemers van staatsbedrijven die geloven dat de crisis binnen hun bedrijven slechts van tijdelijke aard is. “Laten we eerlijk zijn, ieder land heeft een staatssector, ook de Verenigde Staten”, zegt een medewerkster van de schoenenfabriek in Tianjin. “Staatsbedrijven zijn heel belangrijk. Kijk maar naar Rusland - de privatiseringen hebben daar desastreuze gevolgen gehad.” De leiders van China, zo luidt haar conclusie, begrijpen beter dan wie dan ook in China het belang van stabiliteit. Daarom zullen de staatsbedrijven nooit verdwijnen.