Beoordeling; Met dank aan Lubbers

Het economisch herstel kwam in Nederland laat op gang. Maar het mag nu gezien worden. Succes in de polder.

IN HET GEBOUW van de Sociaal-Economische Raad (SER) wordt steeds minder vergaderd. Het dient nu vooral als VVV voor ons succesvolle 'poldermodel'. Voorzitter Klaas de Vries hoeft geen moeizame compromissen meer te smeden tussen werkgevers en vakbonden, want de sociale partners zijn bijna verdwenen uit hun bolwerken in de sociale zekerheid. Minister Melkert praat gewoon rechtstreeks met gemeenten, arbeidsbureaus en het het GAK over de toekomst van de 'één-loket-gedachte'.

En werkgevers zijn zo druk bezig elkaars automatiseerders en marketingdeskundigen af te pikken, dat een plechtig oproep tot loonmatiging weinig gehoor vindt na zoveel achtereenvolgende vette jaren voor de economie. Dus heeft de SER-voorzitter alle tijd om respectvolle delegaties uit verre buitenlanden te informeren over de successen van onze overlegeconomie.

Die successen hebben weinig te maken met georganiseerd overleg. De Engelse cynicus die ons onvertaalbare Nederlandse woord 'overleg' omschreef als “een vergadering die niet bedoeld is om tot een besluit te komen”, had gelijk. Het opvallende herstel van Nederland na de vergissingen uit de jaren 1973-1982, vijftien jaar na de omslag in 1982 (eindelijk dus), heeft andere oorzaken.

Toen in 1982 bedrijven haast geen winst meer maakten, hypotheekbanken failliet gingen en de werkloosheid kritiek werd, kon het Kabinet-Lubbers I instemming krijgen voor een strak regeerakkoord waarin voor het eerst sinds de Korea-crisis in het begin van de jaren vijftig weer werd vastgelegd dat de overheidssector kleiner moest worden. Tegelijkertijd begreep de vakbeweging dat voor een aantal jaren er niet meer in het vat zat dan een schrale loonstijging.

Bijna onmiddellijk daarna bevroor de regering in maart 1983 definitief de wisselkoers tussen gulden en Duitse Mark. Resultaat: Nederland kon door een serie van heel bescheiden loonstijgingen een cumulatief voordeel opbouwen op Duitsland. Toen het kabinet-Kok begon, waren onze bedrijven zo'n vijftien procent goedkoper dan de Duitse concurrentie. Het kabinet heeft die voorsprong weten vast te houden.

Dit kabinet verdient respect voor een aantal succesvolle inspanningen om Nederland weer eens gunstig te laten afsteken tegen de omringende landen in continentaal Europa. Internationale bedrijven waren gewend geraakt aan het idee dat Engeland en Amerika pro-business waren, maar dat op het vasteland van Europa een alles doordringende overheidsbureaucratie de ondernemers verlamde. Intussen hebben in Nederland de uitzendbureaus nog meer armslag gekregen, zijn de ontslagprocedures bij de kantonrechter eenvoudiger geworden en heeft minister Wijers (Economische Zaken) meer vrijheid geschapen met de nieuwe mededingingswet en de ruimere winkeltijden.

Dat valt op, vooral bij internationale bedrijven die weten hoe moeilijk zulke maatregelen in continentaal Europa door het parlement zijn te krijgen. Gelukkig lijkt het alsof er nog een reservoir aan goodwill resteert tussen de moderne sociaal-democraten van Kok en de voorzichtige VVD van Bolkestein. Ondernemers kunnen daarom met recht hopen dat een volgend 'paars' kabinet doorgaat op de weg van wat meer vrijheid en wat lagere belastingen. En dit alles dan zo voorzichtig en redelijk dat de bescheiden stappen in de goede richting weinig negatieve reacties oproepen.

De Nederlandse arbeidsmarkt is weer serieuzer geworden. Werkgevers rapporteren dat nieuw personeel zich enthousiaster inzet. Iedereen weet immers dat werkloosheid financieel nóg penibeler is dan vroeger en dat de Sociale Dienst veeleisender is geworden. De Melkertbanen zijn niet alleen belangrijk als aanvulling op de werkgelegenheid, maar vooral als voorbode van wat nog gaat gebeuren in de Bijstandswet. Nu het kabinet-Kok I zoveel werk heeft gemaakt van actief arbeidsmarktbeleid en extra mogelijkheden opent, vooral ook voor langdurig werklozen, moet een kabinet-Kok II serieus sanctiebeleid voeren in de Bijstandswet, om de gemeenten financieel te dwingen veel energieker uitkeringsgeld om te zetten in werk.

Nederland was vijftien jaar geleden dieper gevallen dan alle omringende landen. In ons land werkte in 1983 slechts 52 procent van alle volwassenen, tegen 62 procent in Duitsland, 61 procent in Frankrijk en 60 procent gemiddeld in West-Europa. Voor een deel is het succes van het 'poldermodel' dus vooral een inhaalslag. En dat na een crisis die hier harder aankwam dan elders door de ongelukkige combinatie van drie kabinetten die de overheidsuitgaven lieten ontsporen, een politiek klimaat dat vijandig stond tegenover de multinationals en een zes jaar aanhoudende daling van de huizenprijzen tussen 1978 en 1984.

Maar ook verdient het kabinet-Kok waardering voor de drie hierboven toegelichte punten: het goed vasthouden van de gezonde macro-economische erfenis van het vorige kabinet, het selectief vrijer en flexibeler maken van onze economie en van de arbeidsmarkt.

Een regering moet beslissingen nemen op drie niveaus. Allereerst met de begrotingen van de departementen. Hoeveel miljard voor onderwijs? Extra geld om de wachtlijsten in de gezondheidszorg tegen te gaan? Opgeteld hebben al zulke beslissingen consequenties voor het financieringstekort en voor de belastingen. Wat dat betreft heeft het Kabinet-Kok goed voortgebouwd op werk van de kabinetten-Lubbers I en -Lubbers III. Nederland is beter voorbereid op de ene Europese munt dan veel andere landen.

Ook moet een regering wetten maken die niet in de eerste plaats handelen over uitgaven en inkomsten, maar over de organisatie van ons land. De PTT heeft concurrentie; moeten ook de Nederlandse Spoorwegen de markt op? Minister Ritzen (Onderwijs en Wetenschappen) speelt heel gedetailleerd de baas over alle universiteiten en hogescholen; zijn concurrentie en vrijheid ook van toepassing in het onderwijs? Dat zijn organisatorische vraagstukken waarbij de ministers Wijers, Melkert en sommige collega's zijn opgeschoven in de richting van wat meer vrijheid, markt en concurrentie. Misschien had het allemaal sneller en radicaler gekund, maar PvdA en VVD werken nog steeds samen onder inspiratie van D66-collega Wijers, en wat zorgvuldig is bereikt, komt niet snel weer in gevaar.

Nederlandse politici moeten één keer in de vier jaar bij het opstellen van het regeerakkoord ook nadenken over de hogere, politieke spelregels. De grootste verandering in de recente periode was het regeerakkoord van 1982 dat voor het eerst een vierjaarsafspraak bevatte voor de financiën. Tot die tijd werd de minister van Financiën te gemakkelijk overstemd in het kabinet door zijn collega's die ieder voor zich méér wilden doen op hun eigen terrein. Het kabinet-Kok verbeterde nog de systematiek van het regeerakkoord door een afspraak te maken over de uitgaven in plaats van over het tekort. Technisch werkt dat beter en het resultaat was zichtbaar voor iedereen: de voorbereidingen voor Prinsjesdag verliepen in goede vrede.

De toekomst van het poldermodel ziet er rooskleurig uit, mits aan drie voorwaarden wordt voldaan. Nooit meer een terugkeer naar de wilde groei in de overheidsuitgaven van de jaren zeventig. Vrijheid, marktwerking en concurrentie, straks ook bij het openbaar vervoer en bij ministeries waar daarvan tot nog toe weinig te zien was, zoals Onderwijs en Volkshuisvesting. Dan een beleid in de sociale verzekeringen en de Bijstandswet dat veel subsidies, lagere werkgeverslasten en andere praktische hulp aan werkloze mensen combineert met een duidelijk sanctiebeleid, zodat méér mensen kunnen werken.

Dat is ook het beste recept tegen de financiële problemen van de vergrijzing, want wie werkt kan meebetalen aan de medische zorg en aan de AOW en de pensioenen. En ten slotte een regeerakkoord dat knopen doorhakt op punten waar de huidige politieke spelregels niet goed werken: het aansturen van de politie, de toekomst van het Groene Hart, de circulairedrift van het ministerie van Onderwijs, de rare financiële verhoudingen tussen rijk en gemeenten.

Met een sterk regeerakkoord kan Nederland maximaal profiteren van de macro-stabiliteit die de ene munt ons kan brengen. Dan kunnen werkgevers doen waar zij goed in zijn: in vrije concurrentie nieuwe diensten aanbieden en meer werk scheppen. Dan kunnen vakbonden met recht voor hun leden een redelijk deel opvragen van de stijgende welvaart. En dan kunnen politici democratisch besturen, niet gehinderd door vreemde kartels van belangengroepen.

De vergrijzing komt er aan en het aardgas raakt op. Misschien kan Paars II het land nog wat vrijer en dynamischer maken voor het zover is.