Aan de oevers van de dood

AMSTERDAM. Met gespeelde voldoening kijkt de tandeloze heer G. naar zijn geelgroene pap en zegt: “Ik geloof dat dit enorm tot de genezing bijdraagt.”

Hij weet dat hij nooit meer beter zal worden. Al jaren ligt hij in bed, wachtend op verzorgers die 's morgens, 's middags en 's avonds wassen, kammen, verschonen, laven, te eten geven, pillen uitdelen en zijn blaas doorspoelen. Zijn dagelijkse, wankelende uitstapje gaat naar de tafel aan de voet van zijn bed, waar hij wat eet en zich laat behandelen. Het televisiescherm brengt kleur in de bovenwoning met halfdichte gordijnen. Uit het raam kijkt hij nooit meer. Wat G. mankeert, is niet helemaal duidelijk, hij eet niet veel en vermagert. Rigoreuze behandelingen en ziekenhuisonderzoeken zouden riskanter zijn dan de kwaal. Zijn wazige ogen staren dwars door de bezoeker heen naar iets onzichtbaars dat nadert. “Dan denk ik, de thuiszorg op visite, dat is effe leuk, da's gezellig”, zegt hij op half serieuze toon. “Het is heerlijk om verlangend uit te zien naar de hondenlul die nu weer op zal komen draven.”

Er komen bedlegerigen bij in de oude Amsterdamse wijk Bos en Lommer, waar mijnheer G. woont, en steeds zwaardere gevallen. Een tocht met wijkverpleegkundige Nanouk Alma langs oude, donkere appartementsgebouwen en vochtige trappenhuizen gaat langs de oevers van de dood. De lieve 80-jarige mevrouw D. doet niet open. Is zij gevallen? Ligt ze dood? Gistermiddag voelde ze zich niet lekker. De avondkrant van gisteren ligt nog voor de deur. Moet de politie erbij worden gehaald? Na een telefoontje blijkt dat ze naar het ziekenhuis is vervoerd. Ze ligt op sterven. Hersenbloeding.

Voor veel zieken is de 33-jarige Alma een vast baken tussen stoeten wisselende verzorgers. Ze is dochter, moeder, dokter, psycholoog en maatschappelijk werkster tegelijk. In de vijf jaar dat ze met ruim tien collega's deze buurt bedient, heeft ze de avond- en weekeinddiensten zien verzwaren. Vroeger kon een verpleegkundige het alleen af, nu zijn er drie paraat voor dringende medische aandacht. Steeds vaker moet Alma mensen optillen, steeds harder fietst ze door de wijk om haar dagtaak af te krijgen. Van bovenaf worden steeds strakkere tijdschema's opgelegd.

De rij oorzaken van de werklast zijn een oud refrein: de mensen worden ouder maar niet gezonder. Steeds langzamer rolt het leven zich in omgekeerde richting af naar afhankelijkheid en dood. Ziekenhuizen laten de patiënten eerder vertrekken. Psychiatrisch patiënten worden slechts in het uiterste geval opgenomen. Voor verzorgingstehuizen zijn wachtlijsten. Ook in Bos en Lommer groeit het aantal afhankelijke ouderen. De lichtere gevallen schuiven de verpleegkundigen af naar de gezinszorg waarvan het klantenbestand steeds verder uitdijt.

Aan het smoezelige naambordje op de deur leest Alma af wat er binnen aan de hand is. Verzorgt de patient zich nog goed of heeft hij het opgegeven? Als ze de trappen oploopt, ziet ze eerst de enkels van de bewoner. Zijn ze dik, dan heeft hij bloedcirculatieproblemen, misschien zelfs open plekken, door diabetes of zwaar roken. Stinkt de wond? Als ze er op tijd bij is, kan amputatie worden voorkomen. Kleren moeten worden uitgetrokken, strakke steunkousen afgepeld. Sommige ouderen protesteren of doen op hun gemak om een praatje te maken maar tijd kost geld.

De overheid heeft geprobeerd aan de groeiende zorglast te ontsnappen. In de jaren zeventig lanceerden ambtenaren de “mantelzorg”. Het leek een nieuwe branche van sociaal werk maar het was een eufemisme voor “zelf doen” door familie en vrienden. Maar ook toen zat opoe niet meer in een eigen kamertje bij het gezin. Ze woonde zelfs al niet meer in de buurt.

Zieke bejaarden in Bos en Lommer zijn vaak vereenzaamd. Hun kinderen wonen in de Bijlmer, Hoofddorp, Purmerend, Almere, Alkmaar of verder. Zij kunnen hun ouders niet elke dag bezoeken. De zorg voor hun eigen kleine kinderen hebben ze al uitbesteed aan een crèche of naschoolse opvang. Er komen nog meer gaten in de zorgmantel nu de overheid iedereen de arbeidsmarkt op jaagt. Kinderlozen kunnen nauwelijks op familie rekenen.

In de jaren tachtig dacht de overheid geld te besparen door particuliere bedrijven toe te laten tot de thuiszorg. Een beetje concurrentie laat de overheid wat zuiniger werken. Maar de patiënten van Nanouk Alma zijn geen zelfstandige consumenten die uit een menukaart verschillende soorten zorg kunnen bestellen. Velen hebben zoals Alma zegt een “gering snapvermogen”. Iemand moet hun leven ter hand nemen en hun zaken regelen. Die verantwoordelijkheid stoot de commerciële zorg af aan de overheid.

Veel patiënten van Nanouk Alma hebben psychische problemen. De eenvoudigste handelingen, zoals oog druppelen, kan zo iemand niet. Alma vult vaak pillendozen. Voor elke dag is er één met speciale vakjes voor 's morgens, 's middags en 's avonds. Sommigen leren het nooit.

Bedlegerigen moet Alma controleren op doorligwonden maar ook de lopenden kunnen last krijgen van een open been, een ongeneselijke wond waar koudvuur in ontstaat. Een strak verband of steunkousen kunnen de bloedcirculatie in de benen herstellen zodat het nooit zover komt.

Mevrouw W. (86) verloor de vier tenen van haar linkervoet omdat de wisselende dokters in het ziekenhuis de gevaren niet herkenden. “Dat gaat wel goed”, zei de dienstdoende arts laconiek, terwijl het oedeem groeide. De pijn bleef en Alma, die haar als enige geregeld zag, stuurde haar in overleg met de huisarts door naar een ander ziekenhuis. Haar voet en onderbeen konden nog worden gespaard. Bijna een jaar na de amputatie van de tenen groeit de wond eindelijk dicht. Binnenkort krijgt ze een leren schoen en die is een triomf van de verzorgingsstaat die ouderen helpt. Goede zorg kost zeeën tijd en bergen geld. Daar kan de rijke belastingbetaler niet aan ontsnappen.