Waterkracht in Oostenrijk steeds meer in opspraak

Zo'n 70 procent van de stroom in Oostenrijk komt uit waterkracht. En als het aan de plannenmakers ligt moet dat nog meer worden. Verzet komt vooral van de milieubeweging. Zij propageert alternatieven als wind, zon en biomassa.

WENEN, 10 SEPT. De Donau heeft het niet makkelijk. Na eeuwenlang bezongen en geprezen te zijn is ze nu in opspraak geraakt. Over een afstand van 350 kilometer telt zij maar liefst negen waterkrachtcentrales, die een kwart van de Oostenrijkse stroomvoorziening voor hun rekening nemen.Oostenrijk is rijk aan rivieren en aan waterkrachtcentrales. Liefst 70 procent van het stroomverbruik wordt uit het water gehaald en de gezamenlijke energiebedrijven hebben hun bureauladen vol met plannen voor nog méér centrales. De vraag is alleen of Oostenrijk, dat al jaren een overcapaciteit van 20 procent aan stroom heeft, inderdaad nog meer waterkrachtcentrales nodig heeft. De energiebedrijven verwijzen naar het toekomstige stroomverbruik, maar hun critici, vooral natuurbeschermers, beoordelen de verdere exploitatieplannen zeer negatief.

Vooral omdat zelfs de volledige 'verbouwing' van alle rivieren geen oplossing voor de verwachte stijging van het stroomverbruik zal bieden. Maar ook omdat dan alle overige energietechnische mogelijkheden buiten beschouwing blijven. Als het huidige energiebeleid niet wordt gewijzigd zal het stroomverbruik tot in 2005 met 53 procent stijgen, heeft het Wirtschaftsforschungsinstitut (Wifo) berekend. Deze behoefte zal nooit met behulp van waterkrachtcentrales alleen bevredigt kunnen worden.

Dieter Hornbacher van de Groenen: “Het probleem met waterkrachtcentrales is dat ze in de zomer veel stroom produceren en in de winter, als het water bevroren is, weinig. En 's winters heb je juist meer stroom nodig. Daardoor heeft een waterkrachtcentrale altijd een tweeling ter compensatie nodig - een calorische centrale en die verhoogt het CO2 uitstoot.” Volgens Hornbacher is de bouw van waterkrachtcentrales nu al te ver doorgeschoten: “Aan twee derde van de rivieren staan centrales en voor het ecologisch evenwicht zou het rampzalig zijn als ook het laatste onaangetaste rivierengebied voor de stroomwinning gebruikt zou worden.”

Met teksten als 'Bedrieglijke waterkracht' en 'Natuur is niet maakbaar' waarschuwt de Oostenrijkse afdeling van het World Wildlife Fund (WWF) voor een verdere exploitatie van de rivieren. De belangrijkste consequentie van een waterkrachtcentrale is de scheiding van grond- en stromend water. Dat betekent een drastische verslechtering van het grondwater. Kostbare waterzuiveringsinstallaties worden dan nodig om de kwaliteit van het drinkwater op peil te houden.

Een ander ingrijpend gevolg is de verandering van het rivierenlandschap, die ertoe leidt dat planten en dieren uitsterven die zich aan de veranderde omgeving - sneller stromend of juist staand water, onbereikbaarheid van de broedplaatsen - niet kunnen aanpassen.

En tenslotte bevordert de waterregulering overstromingen. Een risico dat lange tijd werd onderschat. De energiebedrijven zoeken de oplossing in een milieuvriendelijk bouwwijze. Het in 1985 in gebruik genomen Donaukraftwerk Greifenstein vlak bij Wenen is daar een goed voorbeeld van. De kaalslag die toen veroorzaakt werd, is inmiddels onzichtbaar. De centrale ligt in een prachtig recreatiegebied en de plannenmakers zijn er trots op het rivierenlandschap “gered” te hebben.

De een eeuw geleden nogal ruw uitgevoerde 'regulering' had ertoe geleid dat de zijrivieren uitdroogden. Bij de bouw van de nieuwe centrale is deze fout hersteld en een bloeiend landschap is het gevolg.

Maar zelfs aan een waterkrachtcentrale die met de grootste zorgvuldigheid wordt gebouwd, kleven nadelen: enorm hoge kosten. De middelen worden aan onderzoek en stimulering van alternatieve energiebronnen onttrokken. Maar als kerncentrales door de bevolking worden afgewezen, zoals in Oostenrijk het geval is, zou de oplossing juist in de alternatieve energieproductie gezocht moeten worden. Aangezien ook de volledige 'verbouwing' van alle Oostenrijkse rivieren de stijgende stroombehoefte niet kan bevredigen, zijn milieuvriendelijke centrales niet meer dan kostbare korte termijn projecten.

Natuurbeschermers pleiten voor een meer verantwoorde oplossing. Zij zien in energiebesparingen de belangrijkste stap. Volgens hun berekeningen zou het stroomverbruik daardoor in Oostenrijk tot in 2005 met 3 procent kunnen dalen in plaats van 53 procent te stijgen.

Daarnaast propageren ze wind, zon en biomassa als milieuvriendelijke energieproducenten. Wind en biomassa hebben bovendien nog het voordeel dat ze stroom leveren op het moment dat hij het dringenst nodig is. Waarom pleiten de energieproduceten nog steeds voor de 'oude' oplossingen? Stefan Moidl van het WWF verwijst naar de politiek. “De energiebedrijven zijn een zeer belangrijke economische factor. Hun organisatiestructuur werd in 1947 wettelijk vastgelegd en is tot vandaag ongewijzigd gebleven.

Oostenrijk is, net als Duitsland, een federaal land en daarom heeft elke deelstaat een eigen Landesgesellschaft. De negen maatschappijen zijn via een ingewikkeld en tamelijk ondoorzichtig net van onderlinge aandelenspreiding met elkaar verbonden en de Verbundgesellschaft is het overkoepelende orgaan. Niet alles aan deze constructie is volgens Moidl slecht. “Door de sterke positie van de energiebedrijven hebben we geen atoomstroom nodig en is het tot nu toe ook voor buitenlandse aanbieders onmogelijk geweest goedkope atoomstroom hier te dumpen. Ook natuurbeschermers hebben belang bij sterke energiebedrijven. Het zou niet goed zijn als we voor ons energieverbruik van het buitenland afhankelijk worden.”

De enorme invloed van de politieke partijen, de conservatieven en de sociaal-democraten, is daarentegen wel een probleem. De premier van de deelstaat is de voorzitter van het bestuur van de Landesgesellschaft, wat in de praktijk erop neer komt dat de energiebedrijven de 'huismacht' van een politieke partij vormen. De energiebedrijven zijn door hun monopoliepositie betrekkelijk vrij bij de prijsbepaling, waarvan vooral de huishoudens de dupe worden. De prijzen bij de industriële afnemers moeten met de Europese prijzen in overeenstemming zijn, anders zouden de Oostenrijkse ondernemers concurrentieproblemen krijgen.

De hoge winsten stellen de energiebedrijven in staat om veel te investeren. Dat verklaart de gretigheid om nieuwe centrales en bijbehorende voorzieningen te bouwen. Daarmee creëer je werkgelegenheid en politici laten een kans om zich te profileren niet graag liggen.

De energiebedrijven worden ook op andere wijze door de partijen gebruikt. Ze dienen als kweekvijver voor nieuw talent. Zowel bij de conservatieven als bij de sociaal-democraten heeft een groot deel van de politieke top een verleden als manager bij een energiebedrijf. Tot nu toe hebben de energiebedrijven elke aantasting van hun macht en invloed succesvol afgeweerd maar door de toetreding tot de Europese Unie (EU) moet de energiemarkt geliberaliseerd worden.

Oostenrijk heeft tot 1999 de tijd gekregen zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen. De door de EU voorgeschreven liberalisering heeft echter alleen voor de industrie konsekwenties. Grote afnemers moeten in staat worden gesteld om ook van andere dan de regionale aanbieders energie te kopen. Een dergelijke stapsgewijze vermindering van de monopoliepositie van de energiebedrijven - zonder de hele energiesector grondig te hervormen - zien zowel de Groenen als de diverse milieu-organisaties als groot gevaar. Niet alleen de huishoudens blijven dan aan de monopolies van de Landesgesellschaften overgeleverd, ook de kan de aanwending van alternatieve energiebronnen verder worden tegengehouden.

De energiediscussie heeft Oostenrijk verdeeld in twee kampen. In de jaren tachtig leidde dat al eens tot een geweldadige confrontatie. In 1984 trotseerden natuurbeschermers de kou en bezetten Hainburg midden in de winter om de bouw van een waterkrachtcentrale te voorkomen. De sociaal-democratische kanselier Fred Sinowatz stuurde er de politie op af, die met honden en knuppels de vreedzame actievoerders te lijf ging. De beelden van deze actie veroorzaakten een storm van verontwaardiging en solidariteitsbetuigingen. In Wenen stonden 40.000 mensen op de Ballhausplatz, waar het bureau van de kanselier is gevestigd, en Sinowatz besloot een 'denkpauze' in te lassen. Donaukraftwerk Hainburg is nooit meer gebouwd en in plaats daarvan kwam er de Nationalpark Hainburg.

Op het ogenblik speelt een vergelijkbaar probleem in Oberösterreich. De conservatieve Landeshauptmann Josef Pühringer wil in Lambach een waterkrachtcentrale bouwen die inmiddels even omstreden is als Hainburg. Pühringer en zijn partij gaan er van uit dat de bouw van de centrale bij de verkiezingen van oktober een belangrijke rol zal spelen. Niet alleen omdat er arbeidsplaatsen op het spel staan, maar ook omdat Pühringer graag als doorzetter voor de dag wil komen. De uitspraak van de kiezers zal bij de bouw van Lambach een doorslaggevende rol spelen.