Tom and Viv

Tom and Viv (Gilbert, 1994, Engeland/VS). BRTN2, 20.30-22.29u.

Aan T.S. Eliot hadden de Windsors nog een puntje kunnen zuigen. Althans aan de Thomas Eliot zoals we die als filmpersonage leren kennen in Tom and Viv. De Engelse, van geboorte Amerikaanse dichter, criticus en dramaturg (1888-1965) komt in deze Britse speelfilm vooral naar voren als een gelaten sul. Hij paart emotionele immobiliteit aan een gebrek aan praktische daadkracht. Hij durft het leven niet aan zonder de zekerheid van een bankiersbaantje en hij put armzalige troost uit de katholieke kerk. Willem Defoe speelt de dichter zo in zichzelf gekeerd mogelijk.

We zien hem een stukje uit zijn vermaarde The Waste Land (1922) voorlezen, in de huiskamer, maar voor het overige bekommert de film zich nauwelijks om zijn dichterschap. Tom and Viv, gebaseerd op een theaterstuk van Michael Hastings uit 1984, is dan ook geen schrijversbiografie. De Britse regisseur Brian Gilbert (die op het jongste filmfestival van Venetië een speelfilm over Oscar Wilde presenteerde) beperkte zich tot de periode 1914-1935. Zijn film laat zich vooral bekijken als een case study van de labiele aristocrate Vivienne Haigh-Wood met wie Eliot enkele jaren getrouwd was. De beklagenswaardige dame wordt met smakelijke bombarie neergezet door Miranda Richardson.

Viv's hormonale huishouding was niet in orde, ze slikte te veel verkeerde medicijnen en kampte met hysterische aanvallen. Maar dat was niet de werkelijke reden waarom Vivienne uiteindelijk door haar familie werd opgeborgen als een 'moreel zwakzinnige'. In zijn klinische drama suggereert regisseur Gilbert dat de familie eenvoudigweg niet was opgewassen tegen haar opstandigheid. Zij haalde - impulsief, vulgair, maar welgemeend - ongekend fel uit naar de trivialiteit en het snobisme van de aristocratische upperclass, naar religie, naar verstomping in het algemeen, en naar Virginia Woolf. Toch wordt deze Vivienne in een filmrecensie in het Amerikaanse vakblad Variety omschreven als een 'all-out nut case'. Ten onrechte, ze was een beetje mal, maar ze had natuurlijk het grootste gelijk van de wereld.

Ze koesterde Eliots dichterschap en lééfde ervoor. En het viel haar dus vies tegen dat de dichter zich zomaar liet 'begraven' door het establishment. Ze gooide zijn pantalon het raam uit als hij naar kantoor moest. De muze werd gek van het intense conservatisme van haar dichter. En anders dan Diane had ze geen aardige broer.