Regels voor 'versterven' bij levenseinde verplicht

DEN HAAG, 10 SEPT. Instellingen dienen over duidelijke regels te beschikken hoe om te gaan met het toedienen van voedsel en vocht rond het levenseinde. Daarin moet vooral ook aandacht worden besteed aan overleg met naasten als wordt besloten niet over te gaan tot kunstmatige toediening of die te staken. Minister Borst (Volksgezondheid) en haar staatssecretaris Terpstra hebben dit gisteren geschreven aan de Tweede Kamer.

Volgens hen kan er geen sprake zijn van kunstmatige voeding of vocht als de terminale patiënt aangeeft 'dat het genoeg is geweest'. Dit geldt ook voor dementerende patiënten. Bij hen moet de arts er zich wel van overtuigen of hun wens duidelijk is en of ingrijpen “het natuurlijk proces van overlijden alleen maar stagneert”. Deze omschrijving verdient volgens Borst en Terpstra de voorkeur boven 'versterven', wat dikwijls een “negatieve klank” heeft. Zij wijzen er daarbij op dat uit wetenschappelijke publicaties blijkt dat “versterving in een terminale fase van een ziekte leidt tot een humane dood, waarbij geen sprake is van pijn of benauwdheid”.

Borst en Terpstra willen wel meer inzicht krijgen in de manier waarop beslissingen om geen voeding of vocht (meer) toe te dienen tot stand komen en hoe vaak zo'n besluit wordt genomen. Zij hebben landelijke organisaties van verpleeghuisartsen en van verpleeghuizen gevraagd dit najaar voorwaarden te formuleren voor het 'verstervingsbeleid' in instellingen. Daarnaast komen zowel de Inspectie voor de Gezondheidszorg als de onderzoekers die onlangs de meldingsprocedure euthanasie evalueerden binnenkort met aanvullende gegevens, zo verwachten Borst en Terpstra. Zij laten ook onderzoek doen naar de maatstaven die in de praktijk worden gehanteerd, naar het contact met familieleden, naar het ziekteverloop nadat geen voedsel en vocht meer wordt toegediend en naar de kwaliteit van het stervensproces.