Genesis 37; Jozef in de put

Jozef is wanneer zijn carrière aanvangt een onuitstaanbaar jongmens. Het eerste dat van hem verteld wordt, is dat hij zeventien is, met daaraan toegevoegd de woorden: 'hij was dus nog zeer jong'. Die introductie heeft misschien iets vergoelijkends. Direct erna wordt een vuurtje van haat en jaloezie aangestoken en opgepookt.

De oorlog tussen de twee vrouwen van Jakob, de zusters Lea en Rachel, plus die van de door hen ingezette slavinnen, de bijvrouwen Bilha en Zilpa, wordt, zoals dat gaat, voortgezet door hun kinderen. Jozef, die samen met de zonen van deze Bilha en Zilpa, zijn halfbroers, de schapen hoedt, 'bracht kwaad gerucht aangaande hen aan hun vader over'. Dat is punt één: de jongen klikt.

'En Israel' (oftewel vader Jakob) 'had Jozef lief boven al zijn zonen, omdat hij hem een zoon des ouderdoms was; en hij maakte hem een pronkgewaad'.

Het verhaal doet er nog een schep bovenop. Dat de jongen wordt voorgetrokken, is al erg genoeg. Nu loopt hij ook nog rond in het voortdurend zichtbare blijk van de vaderlijke voorkeur. Een kledingstuk ter karakterisering van een relatie tussen een zoon en een vader, en ter markering van de bevoorrechte positie te midden van de overige kinderen, dat is een mooie vondst van de verteller. In Jozefs geschiedenis zal kleding, niet alleen deze, een prominente rol spelen.

Het pronkgewaad wijst intussen al vooruit naar Jozefs onverdraaglijke inbeelding. Hij heeft een droom, een hemzelf alleszins flatterende droom die als olie fungeert op het vuur van de haat en de jaloezie. Het is een droom die Jozef met kenmerkende zorgeloosheid aan zijn broers vertelt: 'Hoort toch dezen droom dien ik gehad heb. Zie, wij waren aan het schoven binden in het veld - daar richtte mijn schoof zich op en bleef overeind staan, en zie, uw schoven omringden haar en bogen zich voor mijn schoof neer. Daarop zeiden zijn broeders tot hem: Wilt gij soms koning over ons zijn? Wilt ge soms over ons heersen? Toen haatten zij hem nog meer om zijn droom en om zijn woorden'.

Beschrijving van escalatie, daarin munt het verhaal van Jozef uit. Nog een extra schep gaat er bovenop. Want Jozef heeft nog een andere droom 'dien hij aan zijn broeders verhaalde'. Dit keer droomt hij dat de zon, de maan, en elf sterren zich voor hem buigen. Nu wordt het zelfs zijn vader een beetje te gortig. 'Zullen soms ik, uw moeder en uw broeders komen om ons voor u ter aarde neer te buigen?' informeert hij bezorgd.

Bij de eerste de beste gelegenheid die zich voordoet smeedt een aantal van de broers een aanslag. 'Zij zeiden tot elkander: Zie, daar komt die aartsdromer aan. Nu dan, komt, laten wij hem doden en in een van de putten werpen, en laten wij dan zeggen: een wild dier heeft hem verslonden. Dan zullen wij zien, wat er van zijn dromen terechtkomt'. Maar Ruben, de oudste, roept op geen bloed te vergieten en stelt voor ermee te volstaan Jozef in de put te gooien, 'met de bedoeling hem uit hun hand te redden en naar zijn vader terug te brengen'.

De broers trekken Jozef zijn pronkgewaad uit en werpen hem in de put, waar geen water in staat. 'Daarna zetten zij zich neer om te eten'. Het is maar een kort zinnetje. Maar het tafereel - Jozef in de put, zonder water en voedsel, de broers vlakbij aan de lunch - vormt in alle onnadrukkelijkheid reeds de scherpst mogelijke omkering van de latere situatie. Mettertijd zal hij immers de hele familie van een wisse dood door de hongersnood redden, door ze allemaal naar Egypte te halen - het Egypte waar hij, vooral door toedoen van zijn broer Juda, die liever ook geen bloed vergieten wil, belanden zal, voor weinig geld als slaaf verkocht aan een passerende karavaan.

In het schitterende verhaal van Jozef is alles spiegeling. Een Hebreeuwse Nabokov moet de ijzersterke plot verzonnen hebben, waarin naast kleding de voorspellende droom een structurerende rol speelt. De even oneirische als ironische geschiedenis van Jozef wordt in beweging gezet door een tweetal dromen - weer die verdubbeling - dat vooralsnog op niets anders lijkt te duiden dan de peilloze verwatenheid van de dromer zelf. Hij lijkt een evenknie van Narcissus, met als verwaarloosbaar verschil hooguit dat het zijn broers en ouders zijn die mogen dienen als de spiegel waarin hij met zoveel welgevallen kijkt. Maar beide dromen zullen bewaarheid worden, juist doordat ze zoveel aanstoot geven.

De broers, het verhaal is bekend, wenden voor dat Jozef door een wild dier is verslonden. Zij slachten een geitenbok, dopen het pronkkleed in het bloed, en sturen het naar hun vader 'met de boodschap: zie toch of dit het kleed van uw zoon is of niet'. Mooi, die geveinsde onwetendheid; alsof zij van de prins geen kwaad weten en dat pronkkleed niet van haver tot gort zouden kennen. 'En Jakob scheurt zijn mantel, deed een rouwgewaad om zijn heupen en treurde lange tijd over zijn zoon'.

De lezer kan met Jakob begaan zijn. Maar onwillekeurig zou men ook kunnen terugdenken aan een ander geitenbokje, geslacht voor een ander, een eerder bedrog. Het geitenbokje namelijk dat hem de vacht leverde met behulp waarvan hij zijn vader een loer draaide, en zijn broer Esau erfrechtelijk uitschakelde.