DOUWE JAN BAKKER (1943-1997); Een zorgvuldige onderzoeker

ROTTERDAM, 10 SEPT. De enige overzichtstentoonstelling van Douwe Jan Bakker, eind vorig jaar in het Haags Gemeentemuseum, was oorspronkelijk veel later gepland. Doordat een andere exposant uitviel kon de expositie nog net plaatsvinden vóór de langdurige sluiting van het museum wegens restauratie. En, wat toen niemand vermoedde, nog net op tijd: op 7 september 1997 is Douwe Jan Bakker overleden.

Hij was niet verwend met museale presentaties. Sinds 1986, toen de Vleeshal in zijn woonplaats Haarlem zijn tekeningen exposeerde, is het op een paar kleine galerie-presentaties na stil geweest rond Douwe Jan Bakker. Daarvóór hadden Haarlem en Den Haag af en toe aandacht aan zijn werk besteed en in 1982 had het Rijksmuseum Kröller-Müller zijn 'Vocabulary sculpture in the Icelandic landscape' getoond: 72 foto's van landschappelijke details met hun IJslandse benamingen.

Het begin leek meer te beloven. Op de presentatie van jonge Nederlandse kunstenaars 'Binnen en buiten het kader' in 1970 in het Stedelijk Museum vulde Douwe Jan Bakker twee zalen met wonderlijke toestellen in hout, textiel en rubber, die in die ludieke dagen veel bekijks trokken. Aan de wanden hingen kostuums voorzien van houten hoofddeksels, stoeltjes en andere aanhangsels. Vier jaar later waren in de Hallen in Haarlem '236 Pronounceables' te zien. 'Pronounceables' zijn kleine voorwerpjes om 'uit te spreken' middels een stokje dat tussen de lippen kan worden genomen, ongeveer als tekstballonnen in een stripverhaal. Sommige hebben de vorm van een oog, een oor, een huis; andere laten, op een rij uitgestald in hun houten koffer, een overgang zien van de ene geometrische vorm naar de andere. Het geheel had iets spectaculairs waar de wat lacherige kunstbeschouwing in de nadagen van pop-art en creativiteitscultus nog wel raad mee meende te weten.

Toch hadden de 'Pronounceables' ook iets ondoorgrondelijks. Bakker noemde ze weliswaar 'Language Pieces', maar het was duidelijk dat je er geen vlotte verhalen mee kon vertellen. Evenmin als de kostuums uit 1970 geschikt waren voor een bijeenkomst van Human Resource Managers. Het ging Douwe Jan Bakker weliswaar om communicatie, zoals onder andere zijn benaming 'semiotic drawings' voor een deel van zijn latere werk aangeeft. Maar het 'kanaal' dat hij wilde onderzoeken was dat van het louter zichtbare en tastbare waarover het praten zo moeilijk valt. Daar ligt een oorzaak van de stilte, van de kant van pers en musea, toen zijn tekeningen en objecten in de loop van de jaren soberder en strenger werden.

De jaren van stilte waren ook jaren waarin de Nederlandse overheid zich zorgen maakte over een teveel aan kunstenaars en besloot dat 's lands concurrentie-positie op de internationale culturele markt het best gediend was met exportkwaliteit. Voor kunstenaars betekende dat: gestaag produceren, luid aan de weg timmeren en slimme projectaanvragen indienen - of zich bij de loketten van Sociale Zaken vervoegen. Douwe Jan Bakker produceerde langzaam en zorgvuldig. Hij zou nooit overhaast tentoonstellen of subsidie aanvragen. Op zulke kunstenaars is het vlotte beleid van de jaren '80 en '90 niet berekend, en Douwe Jan Bakker moest regelmatig in de clinch met lokettisten die kunstenaars beschouwden als lieden die beter een nuttig beroep hadden kunnen kiezen. Hij was daar slecht tegen opgewassen.

'Kunst is onderzoek', het is al lang een cliché geworden. Toch lijken de objecten en tekeningen van Douwe Jan Bakker er niet te zijn gemaakt om het fraaie kunstvoorwerp maar om te functioneren als zinsdelen van een vraagstelling. Dat wil niet zeggen dat hun iets ontbreekt, want ze bezitten in hun precieze vorm en perfecte uitvoering een aanwezigheid waardoor ze hun omgeving aankunnen, of die omgeving nu een vrijwel leeg blad papier is of een zaal met een kring van kleine objecten hoog langs de wanden, een aanwezigheid als die van opgerichte stenen, tekens van een lang vergeten cultuur, in een landschap. Het is te wensen dat die kwaliteit alsnog de bredere erkenning krijgt die ze verdient.