Twee volken

Zeven weken geleden was ik een paar dagen in Vilnius, de hoofdstad van Litouwen. Ik had me op dat bezoek zo goed en zo kwaad als kon voorbereid, onder andere door lezing van het boek van Czesaw Miosz Die Strassen von Wilna (de Duitse naam voor die stad). Het wordt genoemd in het interview van Reinjan Mulder met deze Nobelprijswinnaar in het CS van 5 september.

Om de waarheid te zeggen, had ik niet veel aan dat boek als gids door die stad, want alle straten waarover hij vertelt, noemt hij bij hun Poolse naam, terwijl ze tegenwoordig een Litouwse naam dragen, en die verschilt vaak nogal van de Poolse. Maar dat wil niet zeggen dat ik door dat boek niet het een en ander heb opgestoken van Litouwens turbulente geschiedenis - tussen Rusland, Polen en Duitsland, ieder met zijn eigen imperialisme.

Miosz' herinneringen aan Vilnius zijn uit de tijd dat het Pools was en ook de meerderheid van de bevolking Pools was. Dat was in de jaren 1920-1939, toen Miosz er op school ging en de universiteit bezocht. Stad en omgeving waren na de Eerste Wereldoorlog aan Litouwen toegewezen, maar in 1920 ondernam een Poolse generaal een overval op de stad, die daarna door Polen geannexeerd werd. Pas na de opdeling van Polen tussen Duitsland en Rusland in 1939 werd zij weer Litouws bezit.

In die twintig jaar was Vilnius of Wilno (zoals het in het Pools heet), een centrum van intellectuele activiteit, zoals het dat ook in de Russische tijd - vóór 1918 - was geweest. Dat blijkt niet alleen uit Miosz' Strassen von Wilna, maar ook uit zijn bekendere De geknechte geest, waarin hij portretten tekent van enkele medestudenten, van wie sommigen na de Tweede Wereldoorlog een prominente rol zouden spelen in het communistische Polen. (Miosz zelf zou er gauw door ontgoocheld raken.)

Vilnius heeft Miosz kennelijk gevormd. Dat erkent hij in zijn interview met Reinjan Mulder. Maar hij wil er niet naar terug, ook niet nu Litouwen weer onafhankelijk is, want, zo zegt hij, “in Litouwen is men op dit ogenblik erg gevoelig voor 'polonisering', en hoewel hij in Litouwen is geboren en zich Litouws voelt, spreekt hij de taal van het land niet.

Hij heeft dat gemeen met velen in de Poolse geschiedenis. Beide landen zijn nauw aan elkaar verbonden geweest. Van 1386 tot 1572 bestond zelfs een groot Pools-Litouws rijk, dat zich enige tijd van Riga tot de Zwarte Zee en tot bij Moskou uitstrekte. De Jagellonen, het koningshuis uit die tijd, waren van Litouwse oorsprong.

Het is in die tijd dat Poolse edelen zich in Litouwen vestigden en Litouwse geslachten, zoals de Radziwills, Czartoryski's en Sapieha's, langzamerhand gepoloniseerd werden. Ook Polens grote dichter Adam Mickiewicz en generaal Pilsudski, die van 1926 tot 1935 dictator van Polen was, beschouwden Litouwen als hun vaderland.

Die Poolse Litouwers, tot wie Miosz behoort, zijn te vergelijken met Vlamingen zoals Maeterlick en Emile Verhaeren, die franstalig waren, maar zich oprecht Vlaams voelden. Maar, met al hun liefde voor Vlaanderen, keken ze neer op de eigenlijke bevolking, die zij alleen kenden als boeren en huispersoneel.

Zo was het ook met de Poolse Litouwers. Eigenlijke belangstelling voor het volk, zijn cultuur en zijn taal, die het dichtst staat bij de Indogermaanse oertaal, hadden zij niet. Een Poolse vertelde mij eens, in alle oprechtheid, dat Litouws een Pools dialect was, terwijl zelfs een leek kan zien dat het geheel verschillende talen zijn.

Het is begrijpelijk dat naarmate het nationale bewustzijn van de Litouwers groeide, te beginnen in de negentiende eeuw, hun wrok jegens de Poolse hovaardij toenam - hoewel beide volken in die eeuw onderdrukt werden door de Russen. Die wrok werd haat toen de Polen in 1920 Vilnius overvielen en twee jaar later annexeerden. Tussen 1920 en 1938 onderhielden de twee buurstaten zelfs geen diplomatieke betrekkingen met elkaar.

Die overval was internationaal-rechtelijk niet goed te praten, maar Vilnius was toen wèl hoofdzakelijk door Polen bewoond, dus in feite een Poolse stad (zoals Riga tot 1918 in feite geen Letse, maar Duitse stad was). Pools is Vilnius nu, ook qua bevolking, niet meer, want de Polen zijn er na 1939, toen Litouwen de stad weer inpalmde, geleidelijk uit weggetrokken dan wel verdreven. In de omgeving is de bevolking echter nog grotendeels Pools.

In het interview met Miosz staat dat deze in 1935 Vilnius verliet. Dat kan waar zijn, maar in De geknechte geest beschrijft hij de onwezenlijke geest die in Vilnius heerste tussen najaar 1939, toen de stad weer Litouws werd, en juni 1940, toen de Sovjet-Unie heel Litouwen bezette en tot een sovjet-republiek maakte: een geest van irreële zorgeloosheid, terwijl de wereld in brand stond. De mensen zaten op terrasjes, toen plotseling Russische tanks in de stad verschenen.

Daarna zijn eerst de Duitse en toen nòg eens de Russische legers over Litouwen gestoomwalst en is het land ten slotte achter het IJzeren Gordijn verdwenen - een groot deel van de bevolking naar Siberië gedeporteerd, zoals ook in andere Baltische landen is gebeurd. Bij de bijna halve eeuw sovjet-heerschappij die de Litouwers vervolgens moesten ondergaan, viel alle vroegere Poolse hovaardij in het niet.

Maar het gedeelde leed - want ook Polen leefde bijna vijftig jaar onder de Russische duim - heeft niet gemaakt dat de Litouwers nu de Polen in hun hart gesloten hebben. Ook de rooms-katholieke godsdienst, die beide volken heel vroom belijden, heeft het ressentiment kennelijk niet doen verdwijnen - een ressentiment overigens dat eerder aan Litouwse dan aan Poolse kant bestaat, zoals meestal het geval is tussen een klein en een groot volk (denk aan Nederland en Duitsland). Misschien hebben beide volken te veel gemeen om van elkaar te kunnen houden.

Op officieel niveau zijn de betrekkingen tussen beide staten echter aanzienlijk verbeterd. Onlangs hebben zij zelfs een gemeenschappelijk initiatief ontwikkeld tot nauwere samenwerking tussen de staten - van Finland tot Bulgarije - die tussen Duitsland en Rusland liggen. Daartoe zijn de betrokken staatshoofden vorige week in Vilnius bijeengeweest. Al is de 'geest van Vilnius', waarvan onvermijdelijk gesproken wordt, een uiting van voorbarig optimisme, het is tenminste een verbetering vergeleken met de vooroorlogse toestand.

Dat die toestand beter is geworden erkent ook Miosz. Tegen Reinjan Mulder zegt hij: “Ik ben optimist geworden. Voor het eerst in mijn leven.” Moeten wij, buitenstaanders, dan pessimist blijven?