Toestand Algerije 'geheel onder controle'

De Algerijnse minister van Buitenlandse Zaken, Ahmed Attaf, is zeer optimistisch over de toekomst van zijn land. De verhalen over de onveiligheid zijn volgens hem uit de lucht gegrepen. Attaf bracht gisteren een bezoek aan Den Haag.

DEN HAAG, 9 SEPT. Het gaat Algerije steeds beter. De succesvolle democratisering van het land en de niet minder geslaagde liberalisering van zijn economie hebben ervoor gezorgd dat Algerije uit een diep dal naar boven is geklauterd. Met die boodschap kwam gisteren de Algerijnse minister van Buitenlandse Zaken, Ahmed Attaf, naar Den Haag. Daar ontmoette hij naast de ministers Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) en Pronk (Ontwikkelings samenwerking) ook het bedrijfsleven. Met de ministers sprak hij onder andere over de mogelijkheden van een associatieverdrag met de EU, waardoor Algerijnen gemakkelijker een visum kunnen krijgen, als zij in West-Europa hun familie willen bezoeken. Met de zakenlieden sprak hij over de mogelijkheden van joint ventures op het gebied van de agro-industrie, het vervoer en de farmaceutica.

Algerije is sinds zijn onafhankelijkheid een land dat bekendstaat om het bruisende optimisme van zijn machthebbers. Hoewel minister Attaf zichzelf rekent tot “een nieuwe, jonge generatie” die heel anders met de problemen omgaat, straalt ook híEÉj dat optimisme uit. Over Algerije, dat niet alleen een buitengewoon interessante afzetmarkt is, maar ook een van de meest geïndustrialiseerde landen van Afrika. Een land, waar het goed toeven is voor buitenlandse investeerders, die meer dan welkom zijn.

De verhalen over een “onveilig Algerije”, zijn dan ook volgens de minister uit de lucht gegrepen. Regering, leger en politie “hebben de veiligheidssituatie volledig onder controle”. Natuurlijk zijn er terroristen die, zoals iedereen bekend is, door buitenlandse machten als Jemen en Soedan worden gesteund. Maar hun acties van de afgelopen weken, waarbij vele honderden mensen in veraf gelegen dorpen op de meest gruwelijke wijze werden vermoord, wijzen alleen op hun groeiende wanhoop. “Zij geloven niet langer dat zij in staat zijn de instituties van de staat te destabiliseren.”

De minister wijst erop dat de terroristen voortdurend hun werkterrein hebben verlegd. Eerst vermoordden zij journalisten, kunstenaars en wetenschappers. Daarna vermoordden zij politiemensen en hun gezinnen. Vervolgens vermoordden zij alle buitenlanders die ze maar tegenkwamen. Dit alles zonder succes. Want ondanks de voorspellingen van de buitenwereld dat de overheid in zo'n klimaat van terreur de voorgenomen democratisering en economische liberalisering niet kon uitvoeren, gebeurde dat toch. Het volk trotseerde alle bedreigingen en begaf zich in groten getale naar de stembussen, waar het voor de nieuwe koers stemde. Daarom zijn de recente massamoorden “ook een wraak tegen het hele Algerijnse volk - blinde moordpartijen, gericht tegen een geïsoleerde bevolking, die zichzelf niet kan verdedigen en in afgelegen streken woont”. Maar - aldus minister Attaf - “ik kan u verzekeren dat de regering alle mogelijke maatregelen neemt tegen deze nieuwe vorm van terreur.” De aard van die maatregelen weigert hij te onthullen. “Om veiligheidsredenen.”

De minister ontkent categorisch dat er politieke onderhandelingen gevoerd worden met Abassi Madani, de leider van het FIS (het buiten de wet gestelde Front van Islamitische Redding). Maar hij zegt niet te weten waarom Madani een maand geleden voorwaardelijk op vrije voeten werd gesteld, en Ali Belhadj, Madani's veel radicalere Nummer Twee, niet. “Dat moet u de minister van Binnenlandse Zaken vragen.” Minister Attaf weet wèl waarom Madani vorige week weer onder huisarrest werd geplaatst. “Hij had zich niet gehouden aan het bevel om naar buiten toe geen politieke uitspraken te doen.”

De manier waarop Madani - zonder zijn straf te hebben uitgezeten - eerst werd vrijgelaten en vervolgens weer in zijn vrijheid werd beknot, gevoegd bij de spectaculaire moordpartijen, die vele uren lang ongehinderd konden plaats hebben vlakbij kazernes van het leger, leidden tot speculaties dat de legerleiding diep verdeeld is over de manier waarop men met het FIS, en vooral met zijn gewapende arm, het AIS, moet omgaan.

Minister Attaf stelt dat de overheid anderhalf jaar lang onderhandelingen voerde met de gevangen FIS-leiders om hen ertoe te bewegen de grondwet te erkennen en het geweld af te zweren. Zonder enig resultaat. Hij verwijst dan ook de geruchten dat president Zéroual alsnog bereid zou zijn om het FIS onder een andere naam weer als politieke partij toe te laten, als fantasie van de hand. “Het FIS, dat in strijd met de grondwet (van 1989) werd toegelaten, heeft alle kansen gehad en die niet benut. Een terugkeer van het FIS is niet meer mogelijk.”