Nieuw leiderschap in Afrika

Vier presidenten en een koning, Ned.1, 22.46-23.22u.

Met de verdrijving van Mobutu Sese Seko uit Congo-Zaïre is een einde gekomen aan het postkoloniale tijdperk in Afrika. De erfenis van de eerste generatie leiders, die na de onafhankelijkheid op het toneel verscheen, is niet indrukwekkend. De koloniale meesters werden in veel gevallen opgevolgd door autocraten, die zich gemakshalve beriepen op de tradities van het alleenheersende stamhoofd, de staat beschouwden als hun persoonlijke bezit en de publieke middelen aanwendden om zich een loyale cliëntèle te kopen.

Omdat de dekolonisering samenviel met het dieptepunt van de Koude Oorlog, kneep het Westen een oogje dicht voor machtsmisbruik en onderdrukking, zolang de leiders hun jonge staten buiten de invloedssfeer van het 'wereldcommunisme' hielden. De landen die toenadering zochten tot de Sovjet-Unie weken overigens niet wezenlijk af van hun buurlanden die trouw betuigden aan het 'Vrije Westen'. Aan beide kanten van de kunstmatige ideologische scheidslijn werd de eenpartijstaat het politieke standaardtype. Democratie en een vrije markt bestonden noch in Oeganda of Zaïre, noch in Angola of Mozambique. Geen van beide 'modellen' kon bogen op grote economische successen en toen in de jaren zeventig een wereldwijde recessie inzette, bleek Afrika over de hele linie zwak te staan in de internationale arbeidsverdeling.

Sinds de val van de Berlijnse Muur is de hypotheek van het Oost-Westconflict weggevallen en kon de balans worden opgemaakt van de postkoloniale periode. In een groot aantal Afrikaanse staten maakte de eenpartijstaat plaats voor een vorm van politiek pluralisme en vonden de pleidooien van IMF en Wereldbank voor liberalisering en afbraak van de alom uitgedijde publieke sector een gewillig oor. Er komt een nieuwe generatie leiders naar voren, die politieke macht beschouwt als een middel ten dienste van het algemeen belang, zoals armoedebestrijding, ontwikkeling en de overwinning van etnische tegenstellingen.

De KRO-televisie zendt de komende weken een reeks portretten uit van Afrikaanse leiders die behoren tot deze nieuwe generatie en die de politiek in Afrika een vertrouwenwekkender gezicht hebben gegeven. Maker is Afrika-veteraan Aad van den Heuvel, die al eerder heeft bewezen dat hij de problematiek van het continent uiteen kan zetten voor een groot publiek. Hij was te gast bij de presidenten Alpha Oumar Konaré van Mali, Sam Nujoma van Namibië, Yoweri Museveni van Oeganda, Jerry Rawlings van Ghana en bij de asantene (koning) der Ashanti, een volk in het zuiden van Ghana.

De kijker vangt een glimp op van hun uitstraling en persoonlijke stijl en wordt deelgenoot van hun prioriteiten en obsessies. Van den Heuvel neemt genoegen met wat zij graag kwijt willen en raakt in zijn open vraagstelling nauwelijks aan tegenstrijdigheden en dilemma's. Hij geeft toe dat hij bijna is bezweken voor de charmes van de Malinese president Konaré, maar vraagt niet door als deze toegeeft dat de verkiezingen dit voorjaar hopeloos slecht waren georganiseerd. Bij de veel minder tegemoetkomende Yoweri Museveni van Oeganda acht Van den Heuvel een kritische noot op zijn plaats: “De man is geen democraat in hart en nieren; waakhonden blijven dus geboden”. Die kanttekening spreekt hij in op de band met begeleidend commentaar. In het interview volstaat hij met de vraag “waarom het Westen uw democratie zonder partijen niet begrijpt” en neemt hij genoegen met het antwoord: “Arrogantie”. De interessantste vraag aan Museveni geldt diens beoordeling van het 'Afrikaanse socialisme', dat ooit werd voorgestaan door zijn leermeester, Julius Nyerere van Tanzania. Museveni: “Hij heeft zich nooit afgevraagd wat mensen motiveert tot hard werken, solidariteit of persoonlijk gewin, en overschatte het altruïsme van de mens”.