Meike, doe het niet!

Laatst las ik over examens, lotingsstudies, vrijstelling van lotingen, en ineens dacht ik aan Meike Vernooij. Hoe zou het haar vergaan? Met een gemiddeld eindcijfer van 9,6 was ze een jaar terug voor haar VWO geslaagd, en vervolgens uitgeloot voor de medicijnenstudie. De Erasmus Universiteit Rotterdam besloot haar alsnog toe te laten tot het eerste jaar, werd vervolgens teruggefloten door onze minister van Onderwijs, maar heeft ondertussen wel een prachtige discussie uitgelokt.

Los daarvan bleef er maar één vraag door mijn hoofd spoken: waarom kiest zo'n meisje in godsnaam voor medicijnen?

Er zijn van die oxymora die je bijblijven.

Een eerlijke politicus.

Een mooie Rotterdamse.

Een geniale arts.

Een van de toelatingseisen van de medicijnenstudie is dat je natuur- en scheikunde in je VWO-eindexamenpakket hebt, en daarmee ook wiskunde. Dat suggereert dat medicijnen een exacte wetenschap is. Niets is minder waar.

Het is niet exact. In een exact vak is gevoel voor getallen een vereiste: je jongleert ermee, je maakt trends, je gebruikt statistische technieken.

Allemaal zaken waar je een arts niet snel op kunt betrappen. Die haakt al veel eerder af. Een meetwaarde zonder eenheid is een betekenisloos gegeven, maar een arts roept nog doodleuk dat het cholesterolgehalte 3,5 is, en heeft er maling aan of dat nou kilogrammen per kubieke meter, milligrammen per kilogram of millimolen per liter zijn.

Het is al evenmin een wetenschap. Als wetenschapper, onderzoeker of probleemoplosser ben je aan het traplopen, voortdurend de blik omhoog of opzij gericht, op zoek naar diepere oorzaken, naar analogieën of juist verschillen. Een arts blijft, de blik strak vooruit, triomfantelijk op de eerste tree steken.

Aankomende artsen kiezen niet voor een vak, maar voor een beroep. Een subtiel, maar essentieel verschil. Het betekent bijvoorbeeld dat een nieuw, complex probleem hen niet fascineert, maar juist afstoot, simpelweg omdat het afwijkt van de dagelijkse routine. Plaatsvervangend wentelen ze zich liever in een poel van zelfvoldaanheid, waarbij zij, en niet al die brave fysici, chemici, technologen, de eer opeisen van de stijgende levensverwachting. Daarbij is de houding van de hedendaagse arts juist de grootste bedreiging voor de volksgezondheid.

Jarenlange professionele inteelt heeft hier diepe sporen achtergelaten. Hoewel er geen vak te bedenken valt met meer raakvlakken met andere, pardon, met échte exacte disciplines als juist medicijnen, maakt de arts slechts mondjesmaat gebruik van de mogelijkheden die deze vakken hem aanreiken. Hij werkt in nagenoeg complete afzondering. Deels uit onzekerheid: hij kan elk moment ontmaskerd worden - hij weet dat hij eigenlijk niets weet en niets snapt. Deels uit arrogantie: hij heeft immers in zijn eerste jaar ook wis-, natuur- en scheikunde gehad - hij weet niet wat hij niet weet.

Een briljante arts, dat was iemand als Julius Robert Mayer (1814-1878). Mayer ontdekte dat het bloed van zeelui, pas gearriveerd in een tropisch klimaat, opvallend rood van kleur was, wat overeenkwam met een hoog zuurstofgehalte. Dit bracht hem op de gedachte dat er in een warm klimaat minder zuurstof verbruikt hoeft te worden, en dus een geringere hoeveelheid voedsel verbrand hoeft te worden, om dezelfde lichaamstemperatuur te handhaven (warmte). Bij een gelijke voedselconsumptie betekent dit dat er een surplus aan energie beschikbaar is voor andere doeleinden (arbeid!). Voortredenerend bedacht hij dat kennelijk verschillende vormen van energie in elkaar omgezet worden, en hoe opname en verbruik van energie daarbij in balans zijn. Zo formuleerde hij anno 1842 de wet van behoud van energie, de eerste hoofdwet van de thermodynamica. Hier zien we genie aan het werk: een origineel idee gaat hand in hand met observeren, analyseren en generaliseren.

Geniale artsen, ik beklaag ze. Ze zullen aan de periferie van hun vak beland zijn, met de nek worden aangekeken door hun lakens uitdelende, voortbroddelende vakbroeders. Mayer stond te boek als een middelmatig arts. Hij was miskend, raakte depressief, belandde zelfs in een krankzinnigengesticht. Het zou jaren duren voordat hij, in ieder geval van fysici, de erkenning kreeg waar hij recht op had. Als medicus zal het wel nooit wat geworden zijn.

Meike is onlangs voor de tweede keer uitgeloot. Maar ze peinst er niet over een ander vak te kiezen, aldus haar vader, en blijft stug doorloten. Vanwaar die ongelofelijke loyaliteit? Misschien vanwege dat misplaatste mensenreddersimago van medici, nog extra gevoed door de onuitputtelijke stroom ziekenhuisseries en bloederige live operaties die we nu al sinds jaren via de TV kunnen volgen. Doe het niet, Meike, beschouw dat uitloten nou maar als een goddelijke vingerwijzing. Wijd je talenten liever aan een ander vak, aan elk willekeurig ander niet-medisch vak, waar ze een veel grotere kans maken wél op waarde geschat te worden. Dan blijf ik ondertussen heimelijk hopen op de eerste tv-soap rond het dynamisch bestaan van een chemisch technoloog bij een multinational, om maar een dwarsstraat te noemen.