Kabinet kiest niet echt voor milieu

Voor een milieubeleid dat resultaat oplevert zal de overheid zich veel actiever moeten opstellen, menen Jacqueline Cramer en Ab Stevels. Het is tijd voor nieuwe afspraken met het bedrijfsleven.

Het Nederlandse milieubeleid gaat een geheel nieuwe fase in. In navolging van de 'groene voorhoede' in het bedrijfsleven, die het milieudenken begint te verankeren in het gehele bedrijfsbeleid, streeft ook de Nederlandse overheid nu naar integratie van milieudoelen in andere beleidsterreinen. Dat blijkt althans uit de beleidsvoornemens in de nota Milieu en Economie.

Het voornaamste doel van de nota is het bereiken van een absolute ontkoppeling van milieudruk en economische groei. Terwijl onze economie verder groeit, moet de milieudruk omlaag. Wanneer dat lukt, combineren we het beste van twee werelden: aan de ene kant groei, meer werkgelegenheid, stijgende inkomens; aan de andere kant een vermindering van de milieuvervuiling, een betere gezondheid en meer natuur.

Is dit haalbaar? Technisch in principe wel. Dat blijkt onder andere uit de 81 technische mogelijkheden die TNO en het Centraal Planbureau noemen in een recent verschenen studie van het ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM). De nota Milieu en Economie bouwt op deze studie voort en straalt dan ook een groot optimisme uit.

Hoe realistisch is dat optimisme? Sinds eind jaren tachtig hebben de ervaringen met name in de industriële sector aangetoond dat het voorkomen van milieuvervuiling loont. Door zuiniger om te gaan met grondstoffen en energie hebben bedrijven geld bespaard en tegelijkertijd hun milieubelasting sterk verminderd. Grote investeringen waren meestal niet nodig om de productieprocessen beter af te stellen en de producten op een meer milieuverantwoordelijke wijze te ontwerpen. Het bleek zelfs goedkoper dan - zoals daarvoor gebeurde - het plaatsen van filters aan het eind van het proces,die de verontreiniging opvingen (maar niet fundamenteel voorkwamen).

Positieve ontwikkelingen dus, maar volgens de laatste Milieuverkenning van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM leveren deze milieumaatregelen niet genoeg op. De toenemende groei van productie en consumptie doen de tot nu toe behaalde milieuresultaten grotendeels weer te niet. Van een echte trendbreuk is kortom nog geen sprake.

De gevraagde 'absolute ontkoppeling' van milieudruk en economische groei vergt veel fundamentelere milieuverbeteringen. Hiervoor gaat het principe 'preventie van vervuiling loont' minder eenvoudig op. Vaak moeten bedrijven eerst hoge investeringen doen om hun producten of processen fundamenteel te herontwerpen. Pas op termijn gaan ze er misschien aan verdienen. De nota onderschat de financiële en organisatorische hobbels die bedrijven moeten nemen om zulke verderstrekkende milieuverbeteringen te realiseren. Bedrijven willen voldoende garantie dat hun inspanningen op milieugebied in welke vorm dan ook beloond worden. Daarom zijn stimulansen van buitenaf essentieel. De Nota Milieu en Economie onderkent dit probleem wel, maar geeft niet aan via welke concrete stappen het kan worden aangepakt.

De industriële sector heeft het nog gemakkelijk, vergeleken met de problemen die te verwachten zijn in de transportsector. Het tot stand brengen van een duurzame vervoerssector vergt een ware inhaalslag, zowel mentaal als praktisch.Het zal leiden tot ingrijpende veranderingen in de huidige wijzen van vervoeren: meer vervoer via spoor, over water en ondergronds en minder via de weg. Zonder duidelijke richtlijnen en ondersteunende maatregelen van overheidswege komen dergelijke verschuivingen niet van de grond. Daarvoor lopen de belangen in deze sector te sterk uiteen en werkt de markt uit zichzelf te weinig in duurzame richting. In de landbouwsector speelt precies hetzelfde probleem.

De nota Milieu en Economie vertrouwt er op dat het bedrijfsleven zelf in samenwerking met de kennisinfrastructuur (organisaties zoals TNO) de gewenste keuzes zal maken. Ondanks de bereidheid van het bedrijfsleven om initiatieven te nemen op milieugebied is dat een te optimistische voorstelling van zaken.

Essentieel is dat de overheid een duidelijke visie formuleert hoe de huidige economische sectoren zich in duurzame richting zouden moeten ontwikkelen. Om versnippering van aandacht te voorkomen moet ze kiezen voor een beperkt aantal speerpunten waarvan ze een zeer aanzienlijke milieuwinst verwacht. Geschikte kandidaten hiervoor zijn: de grootschalige introductie van duurzame energiebronnen in diverse economische sectoren, verdergaande vernieuwingen van industriële productieprocessen, besparing van grondstoffen door materiaal- en producthergebruik, vergroting van de inzet van vernieuwbare grondstoffen, ecologisering van de agrarische sector, invoering van duurzame vervoerssystemen en het opzetten van regionaal ketenbeheer op bedrijventerreinen.

In samenspraak met betrokken groeperingen binnen (en soms ook buiten) het bedrijfsleven zou vervolgens voor de uitvoering van elk speerpunt een convenant opgesteld moeten worden. Omdat het hier gaat om een fundamenteel andere aanpak is het beter om hier te spreken van een tweede generatie convenanten. In tegenstelling tot de eerste generatie convenanten die met diverse, vooral industriële sectoren zijn afgesloten, richt deze tweede generatie convenanten zich niet op stapsgewijze milieuverbeteringen, maar op ingrijpende vernieuwingen. Bovendien richt deze tweede generatie convenanten zich niet op één bedrijfstak maar vaak op een totale productketen of regio. Doordat er een groter aantal partijen bij betrokken is, wordt de aanpak complexer. Verschuiving van de bestaande sectorstructuur in de richting van een meer diensten georiënteerde economie kan daarvan het gevolg zijn.

Dit vergt grote economische en sociaal-organisatorische inspanningen van betrokken bedrijven en de maatschappij in het algemeen. Toch moet het voor bedrijven aantrekkelijk zijn daarin te investeren. Daar waar te grote obstakels op de weg liggen moet de overheid de helpende hand bieden door het nemen van bijvoorbeeld juridische en financieel/fiscale maatregelen.

De beleidsvoornemens gepresenteerd in de nota Milieu en Economie zijn pretentieus. Maar hoe krijgen we die pretenties nu gerealiseerd? De nota geeft wel een eerste aanzet in die richting, maar houdt op waar de overheid moet beginnen met sturen. Wat nu dreigt is dat de crux van het veranderingsproces in de discussie buiten beeld blijft. Laat het kabinet zo snel mogelijk de speerpunten definiëren waar een grote milieuwinst geboekt moet worden. Dan kunnen vervolgens de vier betrokken ministeries met relevante partijen aan de slag om te komen tot tweede generatie convenanten.