Fermat

Er is de afgelopen jaren veel geschreven over de Engelse wiskundige Andrew Wiles, die de stelling van Fermat bewees, en een van de Zomergasten van de VPRO-televisie liet laatst nog een filmpje over hem zien. Het spreekt erg tot de verbeelding: een wiskundige stelling, of beter gezegd een vermoeden, dat zo simpel geformuleerd was dat iedereen die wel eens van een kwadraat gehoord heeft het kan onthouden, en dat toch 350 jaar lang onbewijsbaar bleef, al werden in de tussentijd de meest geavanceerde wiskundige technieken, waarvan Fermat geen weet kon hebben gehad, er op losgelaten.

En dan was Wiles ook nog een soort geleerde zoals die nauwelijks meer bestaat, maar zoals we eigenlijk in ons hart vinden dat een geleerde zou moeten zijn. Zeven jaar werkte hij in stilte en in eenzaamheid. Toen kwam hij met een oplossing waaraan iets mis bleek te zijn. Twee jaar later, in 1995, was het bewijs van de beroemde laatste stelling van Fermat eindelijk voltooid. Zo werd Wiles de enige levende wiskundige van wie niet-wiskundigen de naam kennen.

Het is leerzaam om het onderzoek van Wiles te toetsen aan de normen van het Nederlandse wetenschapsbeleid. Hij diende geen onderzoeksplan in en als hij het had gedaan, zouden zijn collega's er weinig enthousiast over zijn geweest, want aan de stelling van Fermat was in het verleden al veel te veel vruchteloze inspanning besteed. Hij werkte niet samen met anderen en hij publiceerde niets over zijn onderzoek, zodat hij zich aan iedere externe controle onttrok. Zelfs als hij zou slagen, zou zijn onderzoek geen enkele maatschappelijke relevantie hebben. De kans was groot dat hij niet zou slagen en dat de belastingbetaler hem negen jaar lang voor niets zou hebben gefinancierd.

Misschien gaat het te ver om te zeggen dat het onderzoek van Wiles in Nederland niet mogelijk zou zijn geweest. Wiskundigen hebben geen dure apparatuur nodig en zijn daardoor zo goedkoop dat ze misschien nog door de mazen van het Nederlandse net kunnen glippen. Bovendien is het inzicht dat zuivere wiskunde meestal geen direct praktisch nut heeft gelukkig nog niet tot de politiek doorgedrongen. Maar het is zeker dat Wiles een voorbeeld is van het soort onderzoeker dat volgens de Nederlandse overheid eigenlijk niet mag bestaan.

Er is een conflict tussen de universiteiten en minister Ritzen, omdat de minister zich nog meer dan hij al deed met de inhoud van het wetenschappelijk onderzoek wil bemoeien. Als ik zoiets lees, is mijn onmiddellijke reactie: waar bemoeit die minister zich mee? Dat is een geconditioneerde reflex.

Ik ben niet blind voor de tegenargumenten. Er zijn veel onderzoekers en lang niet allemaal willen ze echt iets onderzoeken. Veel onderzoeken zijn zinloos, niet omdat ze geen maatschappelijk nut hebben, maar omdat ze voortkomen uit publicatiedwang en niet uit nieuwsgierigheid. Wetenschappelijk onderzoek zonder echte nieuwsgierigheid, een industrieel proces waarvan de produkten ongelezen in de onderaardse zoutmijnen verdwijnen. Onderzoek als duivelsplicht, het is een vreselijke gedachte.

Logisch klinkt het als een minister zegt dat aan slecht onderzoek geen belastinggeld verspild hoeft te worden. Dat hij de juiste man zou zijn om het kaf van het koren te scheiden is overigens onwaarschijnlijk, want de overheidsmaatregelen uit het verleden hebben de universiteiten er nu juist toe gedwongen om proefschriftenfabrieken te worden.

Mijn geconditioneerde reflex komt doordat ik tijdens de Koude Oorlog ben opgegroeid. Het bestaan van de Sovjet-Unie was goed voor de wetenschap. Amerikaanse onderzoekers konden altijd zeggen dat de Russen een nieuwe deeltjesversneller hadden en dat zij zelf er dus een nodig hadden die tien keer zo groot was. De Russen deden omgekeerd precies hetzelfde. Het zuivere wetenschappelijk onderzoek was een deel van een politieke prestigestrijd. Colablikjes en spijkerbroeken bleken achteraf in deze prestigestrijd belangrijker te zijn geweest, maar dat wist men toen nog niet.

De Koude Oorlog leverde ook een ideaal: de vrije wetenschap. Het tegendeel van wat in de Sovjet-Unie gepropageerd werd. Daar stond de wetenschap zogenaamd in dienst van de samenleving en kijk eens wat er van terecht was gekomen; marxistische natuurkunde, namaakbiologie, hongersnood. De vrije wetenschap was de parel op de kroon van het vrije Westen.

Zie hoe dit ideaal in korte tijd verdampt is. Het bestaat nog wel bij sommige onderzoekers, de besten zou ik zeggen, maar het is niet meer een ideaal waar een politicus zich op kan beroepen. In de BV Nederland zou hij hopeloos ouderwets klinken.

Voor wie is opgevoed in het dogma van de vrije wetenschap, klinkt de eis van de overheid dat een onderzoek maatschappelijk nut moet hebben als een ketterij. Natuurlijk was het altijd wel zo dat zuivere wetenschap geacht werd ooit invloed te hebben op toepasbare wetenschap. Maar dat 'ooit' kon heel ver weg liggen, in een onvoorspelbare toekomst. Tegenwoordig lijkt het wetenschapsbeleid zijn idealen eerder te ontlenen aan de Hollywoodbaas die zei: “Wat heeft het nageslacht ooit voor mij gedaan?“

Natuurlijk was het nooit zo dat de overheid tegen de universiteiten zei: “Neem wat u nodig heeft, wij leveren de belastinggelden met de ogen dicht, want de wetenschap is vrij.“ Maar de gedetailleerde bemoeizucht van nu zou nog kort geleden beschouwd zijn als iets wat in een totalitaire staat thuishoorde.

Als je je als kind de toekomst voorstelt, denk je dat de uiterlijke omstandigheden spectaculair zullen veranderen, maar dat de maatschappelijke ideologie ongeveer hetzelfde zal blijven. Het is natuurlijk omgekeerd, want de materiële werkelijkheid is weerbarstiger dan de gedachten. Ik dacht dat we kolonies op Mars zouden hebben en dat schone kernenergie vrijwel gratis zou zijn, maar dat het gewoon zou zijn dat een minister het wetenschappelijk onderzoek zou willen regelen, dat kon ik me niet voorstellen.