Cuba-crisis: op New York stond een 'zeventje' gericht

Anders dan gedacht beschikte de Sovjet-Unie op het hoogtepunt van de Cubacrisis over rond twintig op de VS gerichte intercontinentale kernraketten. Een daarvan, met een bom van 3,5 megaton, was gericht op New York.

KOROLJOV, 9 SEPT. Drie decennia na de Cuba-crisis, en enkele jaren na het einde van de Koude Oorlog, bezocht de Sovjetraketbouwer Boris Tsjertok New York. Lopend tussen de wolkenkrabbers van Manhattan dacht hij: “Het zou verdomd jammer zijn geweest als wij hier een atoombom op hadden moeten gooien.”

De stokoude Tsjertok, 85 jaar is hij, last een pauze in en sluit zijn ogen - alsof hij zich de catastrofe inbeeldt. Als drager van de Lenin-orde (voor zijn bijdrage de opbouw van de Sovjet-atoommacht) en als Held van de Socialistische Arbeid (voor zijn rol bij de ruimtereis van Joeri Gagarin) beschikt hij over een stijlvol, eigen kabinet in de raketfabriek RKK Energija, net buiten Moskou. Voor hem op zijn bureau liggen geen tekeningen of blauwdrukken, maar blanco vellen papier, die hij gestaag vol schrijft met zijn memoires.

“Toen ik in New York was besefte ik heel goed waarom Kennedy, net als [Sovjet-premier en partijchef] Chroesjtsjov overigens, hoe dan ook een nucleair conflict wilde voorkomen”, zegt hij. Ook al hadden de beide leiders tijdens de Cuba-crisis nooit op een kernoorlog aangestuurd, toch balanceerde de wereld in oktober 1962 op het randje van zo'n conflict. Dat die dreiging reëel was, wordt door niemand meer betwist. Maar hoe kritiek de situatie precies was, dat is pas de laatste jaren bekend geworden.

Evenmin was bekend dat de Sovjet-Unie indertijd over die staat van paraatheid beschikte. Tsjertok echter onthult: op bevel van Moskou hebben hij en zijn medewerkers op 24 oktober 1962 op de lanceerbasis Bajkonoer in Kazachstan een intercontinentale raket in stelling gebracht, gericht op New York en geladen met een kernkop met een kracht van 3,5 megaton. “Een semjorka”, zegt Tsjertok - een 'zeventje', dat wil zeggen een raket van het type R-7, waarmee ook Gagarin was afgeschoten. “Als we daartoe het bevel kregen, kon hij binnen een half uur gelanceerd worden.”

Sinds 1989 is bekend dat de Sovjet-Unie tijdens de benauwdste uren van de Koude Oorlog niet alleen over raketten (de R-12 en de R-14 met een respectievelijk bereik van 1.800 en 3.500 kilometer) op Cuba beschikten, maar ook over de bijbehorende kernkoppen (zestig tot zeventig stuks) plus enkele tientallen tactische kernwapens. Op 14 oktober 1962 had een Amerikaans U-2 spionagevliegtuig de aanwezigheid van de raketten en de lanceervoertuigen op het eiland van Fidel Castro vastgesteld. Mede omdat de CIA ervan uit ging dat de kernladingen nog onderweg waren, kondigde president Kennedy op 22 oktober op de televisie een zeeblokkade af tegen het Caribische eiland. Hij eiste de ontmanteling en terugtrekking van het materieel en dreigde met een “volledige vergelding op de USSR” als er vanaf Cuba een kernraket zou worden gelanceerd.

Het Pentagon wist op dat moment dat de Russen in staat waren atoombommen tot ontploffing te brengen op Amerikaans grondgebied. Allereerst waren daar de Sovjet-onderzeeboten met kernraketten, die inderdaad op 23 oktober in de Caraïbische wateren opdoken. Ook over de beschikbaarheid van intercontinentale raketten maakte niemand zich illusies, al werd het arsenaal uiterst klein geacht. Meteen na de tweede bemande ruimtereis (die van kosmonaut German Titov in augustus 1961), had Chroesjtsjov gezegd: “We hebben nu Gagarin en Titov in de ruimte gebracht, maar we kunnen hun ook vervangen door bommen die we naar elke plaats op aarde kunnen sturen.”

Kennedy had in zijn verkiezingscampagne het jaar daarvoor handig gebruik gemaakt van de missile gap, de vermeende Amerikaanse achterstand in de wapenwedloop. Maar in werkelijkheid geloofden zijn inlichtingendiensten niet dat de Sovjet-Unie veel betrouwbare lange-afstandsraketten had. Hoewel kolonel Oleg Penkovski, een voor de Amerikanen werkende spion bij de militaire inlichtingendienst van de Sovjet-Unie, GRU, in 1961 meldde dat het geheime bureau OKB1 (waar Tsjertok werkte als een van de hoofdingenieurs) een verbeterde intercontinentale raket voor zware kernbommen aan het ontwikkelen was, werd de dreiging van dat type als “praktisch niet-bestaand” beoordeeld.

De vorig jaar overleden generaal Dmitri Volkogonov, hoofd van het militair historisch archief in Moskou, heeft in 1995 onthuld dat Chroesjtsjov in april 1962 door zijn toenmalige minister van Defensie Malinovksi is ingelicht over de R-16, een intercontinentale raket van constructeur Michail Jangel. Die was op dat moment gereed voor het vervoeren van kernbommen tot een megaton, maar nog niet zo betrouwbaar als de kleinere R-12 en R-14. Chroesjtsjov zou daarop gezegd hebben: “Laten we een paar van die egels aan de voeten van Uncle Sam plaatsen.” Met de stationering van die raketten op Cuba zou de totale atoomkracht waarmee de Russen de Amerikanen konden treffen verdrievoudigd worden, aldus Volkogonov.

In antwoord op de Amerikaanse zeeblokkade tegen de naar Cuba opstomende schepen, heeft Chroesjtsjov alle strijdkrachten van het Warschaupact in staat van paraatheid laten brengen. Op 23 oktober waren alle verloven ingetrokken voor de onderdelen 'strategische raketten', de luchtverdediging en de onderzeebootvloot.

Hier vult raketbouwer Tsjertok de leemtes in het verhaal op. “Wij waren op de basis Bajkonoer bezig met de voorbereiding van de lancering van een Marssonde, toen er een militair bevel uit Moskou kwam”, zegt hij. “De inhoud kwam hierop neer: haal die Marsraket maar weer weg en zet er eentje neer met een kernlading.” Het probleem was dat de Marsverkenner klaar stond om te worden gelanceerd. Maar Tsjertok en zijn medewerkers beseften dat ze het niet moesten wagen om de lancering door te zetten. “Anders hadden we allemaal voor de krijgsraad moeten verschijnen.”

Dus werd er op 24 oktober 1962 het platform een R-7 met een kernbom opgericht. Pas later vernam Tsjertok dat het projectiel op New York was gericht en dat de lading een kracht van 3,5 megaton bezat. Volgens de geleerde was hij niet de enige die een soortgelijk bevel had gekregen, want op een ander platform in Bajkonoer verrees nog een tweede militaire R-7. In totaal waren er volgens hem vier raketten van dit type in stelling gebracht: twee in Bajkonoer, en twee op de noordelijke basis Plesetsk. Van het type R-9, die net als de R-7 mede door Tsjertok is ontworpen, zouden “er een stuk of vijf” opgericht zijn, evenals “een dozijn” R-16's van ontwerper Jangel.

Woordvoerder Sergej Gromov van RKK Energija - de producent van de R-7 en de R-9 - bevestigt desgevraagd de lezing van Tsjertok, en ook de aantallen in gereedheid gebrachte nucleaire lange-afstandsraketten. “We hebben het hier over thermonucleaire bommen, die pas in de laatste fase van een atoomoorlog zouden zijn ingezet”, zegt Gromov.

De Russische historicus Aleksander Foersenko, co-auteur van een dit jaar verschenen boek over de Cuba-crisis, reageert verrast. “Dit is totaal nieuw. Ik heb nog nooit zoiets gehoord”, zegt hij over de telefoon vanuit zijn woonplaats Sint Petersburg. Foersenko, die inzage heeft gehad in de notulen van de vergaderingen van het Politburo ten tijde van de dreigende oorlog, zegt dat de Sovjetleiders alleen in algemene termen over de lancering van kernraketten spraken. “In de trant van: als we aangevallen worden, moeten we kunnen terugslaan.”. Foersenko herinnert eraan dat Chroesjtsjov op 24 oktober, de dag dat de Amerikaanse blokkade in werking trad, heeft gedreigd “gebruik te maken van de defensiemiddelen jegens de agressor” als die over zouden gaan tot een 'piratenactie'. Hoewel hij het 'denkbaar' acht dat er de legerleiding heeft bevolen de intercontinentale kernraketten gereed te maken, blijft Foersenko ervan overtuigd dat partijleider Chroesjtsjov geen moment heeft overwogen om ze in te zetten. Op de 26ste zou hij zich al hebben neergelegd bij een vreedzame oplossing (het terughalen van de raketten in ruil voor de garantie dat de Amerikanen Cuba met rust zouden laten, de volgende dag aangevuld met de eis dat de Amerikanen hun Jupiter-raketten uit Turkije weg moesten halen), ook al hield de wereld nog het hele weekend van 27 en 28 oktober de adem in.

Tsjertok zegt dat hij 'ontzettend opgelucht' was toen het bevel kwam om de kernraket weer weg te halen. “We hebben die avond de laatste restjes cognac opgedronken”, zegt hij met een grijns. Details over de zaak wil hij niet kwijt. “Dat leest u maar in mijn memoires”, zegt hij.

Het naslagwerk Soviet Space Failures vermeldt dat er vermoedelijk op 4 november 1962 vanaf de basis Bajkonoer een raket is gelanceerd met een Marssonde. Onder het kopje bijzonderheden staat slechts: “Slaagde er niet in de baan om de aarde te verlaten.”