Beurs voor bèta's werkt averechts

De dalende belangstelling voor bèta-studies heeft volgens prof. Verruijt te maken met de recente veranderingen in de studiefinanciering (NRC Handelsblad, 3 september). Na het invoeren van de tempobeurs/prestatiebeurs daalde het aantal studenten, met name in de als moeilijk bekend staande bèta-richtingen.

Dit risico-mijdend gedrag kan volgens hem worden tegengegaan door prikkels en premies die de andere kant op werken.

In onze bijdrage in deze krant van 28 augustus hebben wij al aangegeven dat wij deze mening niet delen. Cruciaal is dat de afname van de belangstelling voor technische opleidingen al veel langer aan de gang is, al ver voor de invoering van de tempobeurs en recent de prestatiebeurs. Voor sommige studies, zoals elektrotechniek en technische wiskunde, geldt dit al sinds 1985. Bij andere studies, zoals scheikunde en natuurkunde, sinds 1989. Daar staat tegenover dat bij bijvoorbeeld biologie en farmacie het aantal studenten voortdurend stijgt.

De structurele daling van de totale instroom in de technische opleidingen doet zich overigens niet alleen voor in Nederland maar ook in vele andere landen. Dit betekent dat de bijdrage van veranderingen in de studiefinanciering aan de daling van de instroom hooguit marginaal van karakter is. Andere oorzaken zijn veel belangrijker.

Het verstrekken van studiebeurzen aan goede studenten, een belangrijke remedie volgens prof. Verruijt, is naar onze mening dan ook geen optimale besteding van middelen. Allereerst vanwege het geringe effect in verband met de lage prijselasticiteit. In de tweede plaats omdat de beurzen aan de verkeerde studenten gegeven worden.

Het zijn juist de meer modale studenten, met een gemiddeld eindexamencijfer van 7,5 à 7, die de grootste risico's lopen en niet de goede studenten. Vanuit de redenering van prof. Verruijt ligt het voor de hand om juist aan deze groep studenten een beurs te geven en niet, zoals in Delft, aan studenten met gemiddeld een 8 voor wiskunde B en natuurkunde.

Dit gegeven is illustratief voor het probleem van de technische universiteiten. Deze universiteiten hebben zich veel te lang alleen gericht op de beste VWO'ers. Daarmee zijn ze de aansluiting met de brede studentenmarkt verloren. Uit onderzoek blijkt steeds weer dat technische universiteiten studenten trekken met de hoogste cijfers, dat deze studenten het hardst werken, maar dat zij niet vaker het einddiploma halen dan hun collega's in andere studies.

Wij zouden er daarom voor willen pleiten niet alleen programma's aan te bieden voor de allerbesten, maar ook programma's waarin de iets minder goede studenten kunnen excelleren. In andere sectoren van het onderwijs wordt al veel langer aandacht besteed aan deze heroriëntatie naar 'leerlinggericht' onderwijs. Onze samenleving heeft niet alleen behoefte aan zeer goede ingenieurs, maar ook aan ingenieurs met een 'ruime voldoende'.

Een illustratie van dit probleem is te vinden in de reactie van prof. Verruijt. Hij constateert dat de doorstroom van HBO'ers naar technische opleidingen vrijwel tot nul is gereduceerd na het afschaffen van hun recht op studiefinanciering in vervolgopleidingen. Deze groep studenten lijkt daarom bij uitstek gevoelig voor gratis studiebeurzen. Echter, Verruijts eigen universiteit geeft de gratis beurzen liever aan goede VWO'ers. Wanneer er dan toch uitgedeeld wordt, geef de beurzen dan aan HBO'ers of aan scholieren met een ruime voldoende.

Technische universiteiten zouden er beter aan doen geen studiebeurzen meer te verstrekken en deze gelden te besteden aan de modernisering van de studieprogramma's. Daar profiteren alle studenten van.