Adviescommissie 'buitengewoon onzorgvuldig'; Onrust en woede bij ecologische landbouw

De studie ecologische landbouw wint aan populariteit aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen. Toch stellen adviseurs voor de leerstoelgroep in te krimpen. Studenten en docenten zijn heel teleurgesteld.

WAGENINGEN, 9 SEPT. Halverwege de Haarweg in het buitengebied van Wageningen staan een paar groene barakken die als huisvesting dienen voor de leerstoelgroep ecologische landbouw van de Landbouwuniversiteit. In een van de gangen prikt Robert Timmerman een pamflet op de wand tussen krantenknipsels en boodschappen van huishoudelijke aard. “Studenten willen ecologische landbouw studeren”, luidt de vetgedrukte aanhef met acht uitroeptekens, en aan het eind: “Vergroot de leerstoelgroep!!!!”

Daartussen wordt gewag gemaakt van woede bij de studenten over een rapport van de commissie-Verhoeff. Het bevat volgens hen “vele onwaarheden” over de leerstoelgroep ecologische landbouw: “Het op deze onwaarheden gebaseerde advies de leerstoelgroep in te krimpen tot één hoogleraar, één universitair hoofddocent en twee universitaire docenten is voor ons dan ook onacceptabel.” Opvolging van het advies zou voor de groep inderdaad een geweldige aderlating betekenen, want nu bestaat haar vaste wetenschappelijke staf uit negen personen: één hoogleraar, één hoofddocent en zeven docenten.

De ene hoogleraar is prof. E.A. Goewie (52), sinds 1992 verbonden aan wat eerder de vakgroep ecologische landbouw heette. Ook hij is ernstig aangeslagen: “Ons werk zou kwalitatief onder de maat zijn en dat is voor ons een bittere pil, een ontkenning ook van wat ik hier aan het doen ben. De belangstelling voor ons vak, de land- en tuinbouw zonder chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest, geeft een continu stijgende lijn te zien. Dit jaar zijn hier veertig studenten afgestudeerd en daar komen er vóór december nog een paar bij. En dat terwijl de puur technische richtingen in Wageningen al lang niet meer groeien.”

De bittere pil die hij en zijn medewerkers te slikken kregen, is vervat in een rapport van een externe visitatiecommissie onder voorzitterschap van de emeritus-hoogleraar dr. K. Verhoeff. Het college van bestuur had deze groep van vier buitenstaanders ingesteld om de afdeling gewas- en plantwetenschappen, waar ecologische landbouw onder valt, kritisch door te lichten. Vorige week maandag kwam de inhoud van het rapport via NRC Handelsblad naar buiten. Er was toen nog sprake van “geheime bezuinigingsplannen”. Dat “geheime” verviel woensdag, toen de commissie haar bevindingen officieel bekendmaakte.

In de Tweede Kamer nam minister Van Aartsen (Landbouw) terstond afstand van de voorstellen. Op de vraag van M. Vos (GroenLinks) of hij de bezuinigingen in Wageningen wenselijk vond, antwoordde de bewindsman met een eenduidig “neen”. Die reactie was ook te verwachten nadat Van Aartsen de onbespoten teelt eerder had aangeprezen als een “sector waar muziek in zit”. Nog eind 1996 stelde hij 59 miljoen gulden beschikbaar om de biologische of duurzame landbouw te steunen. Goewie beschouwt hem dan ook als een bondgenoot.

De hoogleraar noemt het rapport van de commissie-Verhoeff een “buitengewoon onzorgvuldig verhaal”. “Wij zouden onvoldoende samenwerken met andere leerstoelgroepen en instituten, maar dat is aantoonbaar onjuist. Wij onderhouden nauwe contacten met agronomie, tuinbouw, bodembiologie en informatica. Ik ben verschrikkelijk gevallen over het verwijt dat we polariseren en ons ideologisch opstellen. Dat is uit de lucht gegrepen. We geven op concrete en wetenschappelijke wijze inhoud aan het onderzoeksprogramma.”

Goewie beschikt naar eigen zeggen over sterke aanwijzingen dat de rapportage van Verhoeff c.s. berust op vooroordelen over zijn leerstoel: “We zouden zweverig zijn en een technofobe benadering van de landbouw hebben. Terug naar de schoffel en het paard ten koste van de tractor. Maar dat slaat echt nergens op.” Soortgelijke vage beschuldigingen, alsook een “neerbuigend toontje” waarmee de ecologische landbouw wordt bejegend, signaleert hij bij de rest van de universiteit, in het bijzonder bij de moleculaire wetenschappen.

Goewie: “Ik zie dit als onderdeel van een afweermechanisme tegen een richting die wint aan populariteit. De gangbare landbouwwetenschappen staan steeds verder af van de samenleving. Steeds meer mensen vragen zich af: wat schieten we op met al dat onderzoek dat schijnbaar slechts problemen oproept? Zie de varkenspest, de gekke-koeienziekte, het dierenonwelzijn, vermesting van bodem en water en het overvloedig gebruik van bestrijdingsmiddelen. Er is op deze universiteit sprake van vervreemding, die tot uiting komt in een vermindering van het studental. Terwijl de wens om wèl met de maatschappij bezig te zijn, zich juist vertaalt in groei.”

Die groei valt ook aan de ecologische of biologische landbouwpraktijk af te lezen. Het aantal bedrijven dat de onbespoten en kunstmestvrije teelt beoefent, is gestegen tot 620 met een gezamenlijk oppervlak van 14.000 hectare ofwel één procent van het Nederlandse landbouwareaal. Maar het gaat nog langzaam en moeizaam, een werkelijke doorbraak is hier - anders dan in Oostenrijk en Denemarken - tot nu toe uitgebleven.

Een handicap is de relatief hoge prijs die de consument voor biologische producten betaalt. Ze kosten hem gemiddeld dertig tot veertig procent méér dan artikelen uit de gangbare landbouw. Dat heeft twee hoofdoorzaken. Enerzijds brengt de biologische productiewijze minder op dan het klassieke, milieuvervuilende systeem, anderzijds is de afzet onvoldoende ontwikkeld.

Op dat laatste heeft de Wageningse leerstoelgroep geen invloed, op het eerste wel. Goewie: “Het behoort tot onze taak aan te tonen dat men zonder te spuiten, zonder kunstmest, zonder de dieren extra hormonen toe te dienen en zonder hun welzijn te schaden, toch intensief kan produceren. En de mogelijkheden om dat te bereiken zijn nog lang niet uitgebuit.”