'Zuid-Libanon kerkhof van Israelische bezetters'

Twaalf Israelische mariniers werden vrijdag in alle vroegte gedood bij een mislukte operatie in Libanon. Ter plaatse uitten Libanezen het afgelopen weekeinde hun blijdschap.

ANSARIYAH/ BEIROET, 8 SEPT. Langs de kant van de weg staat de zwarte BMW waarmee de zieke Samira Chehade midden in de nacht van donderdag op vrijdag door haar vriend van het Zuidlibanese gehucht Loubieh naar een dokter in het vlakbij gelegen Ansariyah zou worden gebracht. De wagen is doorzeefd met kogels. De stoelen zijn rood van het bloed. Samira (35) is het zoveelste slachtoffer van het Israelische leger onder de burgerbevolking van Zuid-Libanon. Haar vriend is zwaar gewond. Ze botsten bij toeval op de Israelische indringers en ze hadden geen schijn van kans.

Het is acht uur 's avonds en de maan hangt boven de zee als een zilveren kromzwaard. Verder is er alleen een duivels zwarte nacht. Ideale omstandigheden voor een actie in vijandelijk gebied.

De Israelische commando-actie van vrijdag in Ansariyah, ten zuiden van Sidon, was misschien te goed voorbereid. “De laatste vijf dagen voor de aanval kwamen er Israelische helikopters en onbemande spionagevliegtuigjes 's nachts tussen tien en vijf uur boven ons dorp vliegen. We hadden het gevoel dat er iets stond te gebeuren”, zegt de leraar Hassan Fawky.

De plaats van de gevechten trekt veel belangstellenden. “Wij zijn blij en trots, verontwaardigd en uit op wraak. Heb je geen camera? We hebben hier nog verscheidene stukken vlees en beenderen van de Israelische soldaten”, zegt een lid van de pro-Syrische Amal-beweging. In de zwartgeblakerde naaldbomen wijst hij verkoolde resten aan.

“Dit is de wraak voor het bloedbad in Qana, vorig jaar”, zegt Ali, een student, doelend op de Israelische artilleriebeschieting waarbij circa honderd Libanese burgers werden gedood. “Duizenden mensen kwamen na de moorddadige aanval op de basis van de VN-vredesmacht UNIFIL naar Qana om te rouwen en nu komen de mensen hier naar toe om te zien waar de vijand verslagen werd. Ze vallen ons aan in ons eigen land. Ze planten mijnen in onze boomgaarden en zaaien 'speelgoedbommen' in het rond - gisteren werd opnieuw een jong meisje zwaar verminkt door een dergelijk springtuig - maar wíEÉj zijn de terroristen.”

“Netanyahu zegt dat hij van twee kanten wordt aangevallen door terroristen. In Jeruzalem en vanuit Zuid-Libanon. Maar wij weten beter. Hij wil samen met Ariel Sharon opnieuw oorlog voeren in Libanon”, zegt Hussein, een ingenieur uit Sidon. Over de weg hangt een spandoek van de pro-Iraanse Hezbollah: “Het zuiden wordt het kerkhof van de Israelische bezetters”. En ernaast, langs de weg, een spandoek van Amal: “In Ansariyah brachten wij de Israelische elite-troepen een klinkende nederlaag toe”.

Ansariyah telt 5.000 inwoners. Het dorp ligt op de top van een afgeronde berg, vlak boven de autosnelweg die van de zuidelijke havenstad Sidon langs de kust naar Tyrus leidt. Vanuit het dorp heb je een prachtig uitzicht over de bananenplantages aan weerszijden van de snelweg.

“Omstreeks twintig voor een zijn ze vanuit de zee aan land gekomen”, zegt Tawfik. “Ze komen om mensen te doden. Zomaar. Niet de strijders van Hezbollah of Amal. In het zuiden komt iedereen in aanmerking. Kijk maar naar die auto. Wat heeft zij in Godsnaam misdaan?”

“Dank aan Hezbollah en de Amal en dank aan het Libanese leger. Ze hebben samen het vuur geopend”, zegt Samir, een winkelier uit Ansariyah. “Deze oude man heeft de indringers als eerste gezien. Hij dacht met Israeliërs te maken te hebben en ging dat rapporteren bij het Libanese leger. 'Er is niets aan de hand. Ga maar naar huis', zei men me. Ze waren gewaarschuwd.”

Hij wijst aan waar de Israelische commando's bezig waren met het plaatsen van landmijnen. Onder een rij naaldbomen aan de rand van de boomgaard zitten vier kraters. “Het Libanese leger heeft nu heel de omgeving op mijnen gecontroleerd en zeven mijnen onschadelijk gemaakt. Ze zijn langs deze holle weg gekomen tot hier bij de hoofdweg naar Ansariyah. Nadat ze de BMW hadden uitgeschakeld, ontplofte een van hun explosieven en vijf minuten later waren ze hopeloos omsingeld.”

“Ik maak me geen illusies, er zal niks veranderen”, zegt Ali. “Volgens mij wilden ze het hoofdkwartier van Amal op de heuvel aan de overkant van deze vallei, Wadi al-Haramiya (vallei van de rovers), treffen, en waren ze verdwaald. Wij gingen daar als kind verstoppertje spelen omdat je er volkomen het noorden kwijtraakt. Iedere helling lijkt op alle andere.”

Malik, de militaire leider van Amal in het district, vertelt dat om een uur een hevig vuurgevecht met de strijders van Amal en Hezbollah begon, dat bijna twee uur duurde. “Even verder naar het noorden”, aldus Malik, “probeerde een helikopter nog troepenversterkingen aan land te zetten, maar dat moesten ze opgeven omdat ze onder vuur lagen vanuit een vlakbij gelegen basis van het Libanese leger. Twee helikopters landden vlakbij het slagveld om de overlevenden, gewonden en de doden op te halen. Gedekt door straaljagers en nog vier helikopters die vanuit de lucht het dorp en de omgeving bestookten.”

“Wij waren totaal onzichtbaar door deze bomen en de duisternis. Ze bevonden zich op amper honderd meter van onze basis en ze waren zich daar niet van bewust”, vertelt hij. De meeste bomen zijn verkoold en afgeknakt. De aarde is zwartgeblakerd en overal liggen kogels en granaathulzen.

Uit de krakende megafoons van een campagnewagen van de Hezbollah loeit militante strijdmuziek. Vooraan op de wagen is een grote glazen inzamelkist gemonteerd. “Het waren vooral onze soldaten - het Libanese leger - die de Israeliërs hebben verslagen, maar zíEÉj moeten weer met de eer gaan lopen”, merkt een passant bitter op.

Maar in de Libanese media is de eensgezindheid opvallend groot. Zelfs de christelijke opppositiekrant L'Orient le Jour brengt de foto van een Amal-strijder die grijnzend het door een explosie afgerukte hoofd van een Israelische soldaat laat zien. “Ze zijn gek geworden”, zegt een apothekeres. “Die Amal-man kan net zo goed al in zijn graf gaan liggen.”