Sir Georg Solti 1912-1997; Muzikaal geweldenaar

Amsterdam, 8 sept. Sir Georg Solti, die vrijdagnacht in het Franse Antibes op 84-jarige leeftijd in zijn slaap overleed, was na de dood van Herbert von Karajan en Leonard Bernstein 'de laatste der superdirigenten.' Solti leidde een leven van muzikale superlatieven. Hij dirigeerde vele decennia lang zeer frequent en overal ter wereld. Het jaar waarin hij zijn tachtigste verjaardag vierde leek zelfs het recordjaar van de muzikale wereldkampioen.

Het repertoire van Solti - vijfenvijftig opera's en meer dan tweehonderd symfonieën - was enorm. Maar zelf had hij vooral oog voor wat hij nog niet had gedirigeerd. Zijn plaatproduktie was reusachtig en hij kreeg meer Grammy's dan popsterren. In 1972 werd Solti 'Sir' wegens zijn verdiensten voor het muziekleven in Engeland - in hetzelfde jaar was de voormalige Hongaar Brits onderdaan geworden. Maar Solti voelde zich als burger vooral Europeaan en hij was bezorgd over de wereld. De dirigent met de joodse moeder zag met ontzetting het weer opkomend racisme, zei hij in 1992 in deze krant. Hij was - anders dan de meeste Engelsen - een verklaard voorstander van 'Maastricht'.

Solti bleef tot zijn dood verbazend energiek en leek niet veel ouder dan zestig. Hij tenniste, zwom en raasde van berghellingen af op een sneeuwscooter. Toch moest hij het de laatste jaren iets kalmer aan doen. De leiding van het Salzburgse Paasfestival, overgenomen van Karajan, gaf hij weer snel uit handen. Solti werd vanzelfsprekend de 'nestor van de wereldberoemde dirigenten', hoewel hij in ouderdom nog met een maand werd overtroffen door Kurt Sanderling.

Solti en Sanderling hadden hun leertijd voor de oorlog en zorgden daarmee zestig jaar later nog voor een verbinding met die legendarische tijden in de muziek. Voordat Sanderling in 1936 uit Berlijn voor de nazi's naar de Sovjet-Unie vluchtte, assisteerde hij Furtwängler, Klemperer en Kleiber. Solti, wiens artistieke ontwikkeling naar eigen zeggen sterk is beïnvloed door Bartók, Kodály, Strauss, Furtwängler, Walter en Toscanini, besloot op zijn dertiende dirigent te worden toen hij Erich Kleiber zag dirigeren. Zijn moeder zei: “Je mag dirigent worden, als je dat wilt, maar eerst moet je hard piano studeren.”

Solti, wiens voornaam in het Hongaars György was, leerde het vak op harde wijze van onderop: na het Franz Liszt Conservatorium in Boedapest werd hij in die stad in 1930 repetitor bij de opera, in 1936 bezocht hij de Salzburger Festspiele en assisteerde daar een jaar later Toscanini. Solti was een voortreffelijk pianist, in 1942 won hij het pianoconcours in Genève.

Na de oorlog maakte Solti een enorme internationale carrière, waarin het in 1949 dirigeren van Richard Strauss' Der Rosenkavalier ter gelegenheid van de 85ste verjaardag van de componist het eerste officiële hoogtepunt was en de uitvoering van Mozarts Requiem in Wenen op de 200ste sterfdag van de componist op 5 december 1991 een van de laatste. Solti's belangrijkste verbintenissen waren het Londense operahuis Covent Garden (1961-1971) en het Chicago Symphony Orchestra, waarvan hij sinds 1969 22 jaar chef-dirigent was.

Solti had sterke artistieke opinies, hij was een superieur vakman met een hoekig gebaar en hij streefde naar krachtige perfectie - nergens ter wereld dan in Chicago schalde het koper zo stralend en imposant voor deze muzikale veldheer. Solti's natuurlijke uitstraling was elektriserend, gezaghebbend en onaantastbaar. De muziek reflecteerde dat vaak. Al waren er broze momenten, zijn uitvoeringen klonken zelfbewust, stevig, spannend en soms zelfs ongenaakbaar - het Adagietto uit Mahlers Vijfde symfonie bezat in zijn uitvoering bij het Chicago Symphony Orchestra een staalblauwe glans. Het slot van zijn opname van Mahlers Achtste symfonie laat de kosmos ook werkelijk tot in de uithoeken resoneren.

In Amsterdam dirigeerde Solti het Concertgebouworkest tien keer in 1955, in 1961 nam hij met het orkest Mahlers Vierde symfonie op, zonder openbare uitvoeringen. Met andere orkesten was Solti af en toe in Amsterdam, bij het Concertgebouworkest kwam hij pas in 1991 terug, wat hij daarna bleef doen. Vanmorgen, bij het begin van de repetitie, werd Solti door het orkest herdacht met een minuut stilte.

Die Amsterdamse concerten waren, mede door de korte voorbereiding, soms wisselvallige, maar altijd opzienbarende en enerverende gebeurtenissen, die hij met het Concertgebouworkest ook herhaalde op tournees naar buitenlandse steden. Zijn laatste Amsterdamse optreden was in november vorig jaar met de Wiener Philharmoniker, toen het Divertimento van Bartók, zoals deze krant schreef, 'de luisteraar achterover smeet met klankkracht en gelijkademige frasering'.

Op 21 oktober aanstaande zou Solti zijn 85ste verjaardag vieren, onder andere met de verschijning van zijn autobiografie. Volgende maand zou hij ook tijdens een gala zijn duizendste concert bij het Chicago Symphony Orchestra dirigeren. Solti kon niet anders dan doorgaan. In 1976 haalde hij in de New-Yorkse Metropolitan Opera tijdens Le nozze di Figaro met zijn stokje zijn wenkbrauw open. Terwijl het bloed van zijn gezicht droop gebaarde hij het orkest door te spelen, stelpte buiten de orkestbak het bloeden en stond een minuut later weer op zijn plaats alsof er niets was gebeurd.

Eind vorig jaar verklaarde Solti nog een opera van Verdi of Mozart te willen regisseren. Deze zomer zei hij: “Ik wil me niet terugtrekken, omdat ik zou doodgaan, ik zou zeker doodgaan. Ik houd van werk en ik houd van muziek.” Afgelopen vrijdag zegde Solti optredens deze week in de Londense Proms af. Daarna ging hij dood.