Oude muziek: kleiner publiek

Concerten: Holland Festival Oude Muziek 1997. Gehoord 6 en 7/9 Muziekcentrum Vredenburg, Pieterskerk, Catharinakerk Utrecht.

De 16de editie van het Holland Festival Oude Muziek in Utrecht - in zijn soort het grootste ter wereld - heeft de afgelopen tien dagen ruim 50.000 bezoekers getrokken. Het bezoek lag daarmee tien procent lager dan vorig jaar. Volgens de organisatie komt dit ondermeer door de vier voorstellingen van de kostbare eigen geënsceneerde produktie van Il Trionfo di Camilla, een barokopera uit 1696 van Giovanni Bononcini.

Om dat evenement financieel mogelijk te maken werden zo'n zeven hoofdconcerten geschrapt van het programma, zoals dat in andere jaren gebruikelijk is. Verder zorgde zaterdag de begrafenis van prinses Diana voor een opmerkelijke rust op de anders altijd druk bezochte Oude Muziek Markt.

Bovendien was aan de publieke belangstelling voelbaar dat in het festivalprogramma voor dit jaar bewust was gekozen voor minder bekende namen bij componisten en ensembles, aldus de organisatie. Voor volgend jaar staan de thema's nog niet geheel vast. Er zal aandacht zijn voor Hildegard von Bingen, thema's als 'Dresden' en 'Oorlog en Vrede' worden overwogen.

Canto lo gallo, een anoniem tweestemming madrigaal, was een onderdeel van een van de thema's van dit jaar: Italiaanse Trecento-muziek. Het festival werd zondagavond op prikkelend-frivole wijze afgesloten met een ander thema: de Gouden (18de) Eeuw van de Napolitaanse opera buffa.

Humor en realisme was wat deze stijlen verbond. In Canto lo gallo kraait de haan vrolijk in de morgen, de dood bezingend middernacht. Precies zo verschillend bleken de diverse uitvoeringen. Zaterdag zong Rosa Dominguez met vedel en citer van het Ensemble Lucidarium in een letterlijke imitatie van het dierengeluid, opwindend snel en virtuoos, terwijl een dag later Ensemble Micrologus de haan liet neuzelen in twee onbegeleide mannenstemmen (Alessandro Quarta en Ulrich Pfeifer), onherkenbaar relaxed.

Toonde Lucidarium de wortels van het Trecento, de dag erop heerste op een concert de spirito gentile, nostalgie en heimwee, eindigend in een geïmproviseerde muzikale zetting in Trecento-stijl van een Ottave a contrasto uit 1931, gedicht door respectievelijk een boer en een havenarbeider, een orale traditie om U tegen te zeggen!

Technisch gesproken het meest overtuigend in het meer maniëristisch repertoire is het ensemle Mala Panica, dat zich aan het begin van het festival liet horen. Mala Punica betekent granaatappel, een verwijzing naar de verboden vrucht in het paradijs. Mala Punica zoekt het weer in een uiterst relaxed tempo, bizar in onverwachte versnellingen of juist vertragend in een omzien in verwondering, improvisatorisch uiterst gewaagd. Het probleem met avant-garde, of het nu 14de-eeuwse of 20ste-eeuwse betreft, is, dat men geen maat kan houden. Lucidarium weet wanneer het moet stoppen, van een Pia de' Tolomei zingt met één couplet, ik weet zeker dat Mala Punica ze alle 53 zou uitvoeren.

Het Ensemble Gilles Binchois - nauwelijks minder fascinerend gemaniëreerd - liet horen hoe welluidend de chansons van Johannes Ockeghem kunnen klinken, dit jaar een ander thema van dit Utrechtse festival. Men kent zijn missen, maar zeker ook in de chansons, die tot hele families aan composities hebben geleid bij Ockeghems collega's, weet deze grootmeester te excelleren.

Interesant was een vergelijking tussen Cappella Pratensis (in de Missa 'Mi-mi') met The Clerks' Group (Missa 'Caput'). Het materiaal van de stemmen loopt sterk uiteen, de eerste groep klinkt licht, de tweede krachtig. De één weeft een web, wiegend in de wind, de ander hangt Ockeghems polyfonie aan stalen kabels.

Alweer bleken de verschillen gigantisch.