Melkert-baan voor vluchtelingen

Vluchtelingen hebben de grootste moeite om in Nederland werk te vinden. Een Melkert-baan biedt voor sommigen uitkomst. Een werkgever: “We kunnen een half jaar aankijken wat voor vlees we in de kuip hebben.”

ZEEWOLDE, 8 SEPT. De handeling duurt ongeveer vijftien seconden: Yasir Zamanzadek plaatst een dof aluminium schijfje in een freesmachine, waarna de Iraniër het schijfje er als een glimmend katrolletje uithaalt. “Yasir is nog wel een paar dagen bezig”, glimlacht J. Antonides, directeur van het gelijknamige metaalbewerkingsbedrijf in Zeewolde in Flevoland. Hij wijst naar de stapel onbewerkte schijven.

Yasir Zamanzadek was, tot zijn vlucht voor het Iraanse regime in 1994, docent aan een technische universiteit in Iran. Voor de 56-jarige Iraniër is het verschil tussen wat toen en nu van hem wordt gevergd, geen bezwaar: “Ik ben blij. Oudere mensen zoals ik worden niet gauw aangenomen.”

Directeur Antonides heeft Zamanzadek sinds een maand in dienst. De Iraniër heeft een contract voor een half jaar via de Melkert-II regeling. Met die regeling worden werkgevers in de marktsector gestimuleerd langdurig werklozen aan te nemen, omdat ze 18.000 gulden subsidie per jaar krijgen. “We kunnen een half jaar aankijken wat voor vlees we in de kuip hebben met Yasir”, zegt Antonides over de regeling. “Op dit moment zou ik het risico niet aandurven om hem in vaste dienst te nemen.”

Zamanzadek is aan de baan gekomen via de stichting Emplooi, een initiatief van Vluchtelingenwerk Nederland. Deze organisatie begeleidt asielzoekers, in afwachting van een eventuele verblijfsvergunning voor Nederland. Hebben ze eenmaal zo'n vergunning, dan moet de erkende vluchteling aan de slag. Vóór die tijd mag een asielzoeker, in afwachting van antwoord op zijn vraag om toelating, niet werken.

Juist bij het vinden van een baan kon Vluchtelingenwerk niet helpen. Daarom ontstond Emplooi acht jaar geleden. Gepensioneerde hoge functionarissen uit het bedrijfsleven en oud-topambtenaren begeleiden een aantal vluchtelingen in een regio bij de zoektocht naar werk.

Is die zoektocht geslaagd, dan blijven de adviseurs (ex-directeuren en -managers van bedrijven als Shell, Philips en Unilever) bij de geplaatste cliënt betrokken. “Dat noemen we de nazorg”, legt J. Feenstra uit. Hij is senior-adviseur in de regio Midden-Nederland en heeft de Iraniër Zamanzadek aan de baan in Zeewolde geholpen. Die nazorg is volgens Feenstra het belangrijkste verschil met uitzendbureaus die allochtonen aan een Melkert-baan proberen te helpen. “Uitzendbureaus moeten er aan verdienen en zijn daarom vooral geïnteresseerd in de subsidie die ze bij elke plaatsing krijgen”, meent Feenstra. “Wat er daarna met de mensen gebeurt, maakt ze niets uit. De uitval is dan ook bijzonder hoog.”

Enige scoringsdrift is de adviseurs van Emplooi echter ook niet vreemd. Het gaat de ex-managers om het resultaat - zoveel mogelijk plaatsingen - en ze horen niet graag dat hun collega-adviseur in de aangrenzende regio een hogere score heeft behaald. Hoewel Emplooi kampt met een groot gebrek aan adviseurs wist de organisatie het afgelopen jaar 1.300 vluchtelingen te plaatsen, waarvan 300 via Melkert-banen. “Dan hebben we het over echte plaatsingen”, haast Feenstra zich uit te leggen, “dus banen die er over een half jaar ook nog zijn.” Om die reden raden de adviseurs de soms overgemotiveerde vluchtelingen af tijdelijke baantjes te accepteren. “Daar schieten ze niets mee op”, weet Feenstra. Het is juist de bedoeling om via een baan met een wat langer perspectief onrust en onzekerheid weg te nemen. “Dat geldt voor iedereen, maar vooral voor vluchtelingen”, zegt Feenstra vlak voordat hij S. Rizvanbegovic ontmoet.

Deze Bosniër heeft alle reden om naar rust en zekerheid te streven. De moslim Rizvanbegovic zat in een concentratiekamp, voor hij drie jaar geleden in Nederland arriveerde. Samen met Feenstra vond hij een Melkert-baan als computertekenaar - een vaste baan lag in het verschiet. Maar drie weken voordat het zover was, werd hij wegens een reorganisatie ontslagen.

Feenstra belde met bedrijven in de regio; misschien hadden zij nog een computertekenaar nodig. “Hebt u niets voor me tussendoor?”, vraagt Rizvanbegovic. “Ik wil zo snel mogelijk werken.” Maar Feenstra heeft al afspraken gemaakt voor een sollicitatiegesprek.

De toestemming van het ministerie van Sociale Zaken aan Emplooi om ook Melkert-banen te mogen invullen, heeft een impuls gegeven aan het vinden van werk voor vluchtelingen, meent Feenstra. “Werkgevers hebben vaak een negatief beeld van vluchtelingen. Ze zouden geen Nederlands spreken, zouden niets kunnen en hun vaardigheden zouden verouderd zijn. Met die Melkert-banen kunnen we cliënten voor een half jaar plaatsen tegen een tamelijk gering bedrag door de negenduizend gulden subsidie die bij zo'n baan hoort. Het is alleen jammer dat we dat maar één keer per vluchteling mogen doen.”

In de zes maanden verdwijnen bij de meeste werkgevers de vooroordelen, merken de Emplooi-adviseurs. Vluchtelingen behoorden in hun vaderland vaak tot de 'hogere' lagen van de bevolking (“het regime heeft ze niet voor niets gedwongen te vluchten”), zijn hoog opgeleid en beschikken bovendien over specifieke vakkennis die in Nederland tot verdriet van sommige werkgevers verloren is gegaan. Zo is de Iraniër Zamanzadek de enige die bij Antonides reparaties aan oude machines kan uitvoeren. Maar ook tandartsen, een goudsmit en een architect zijn via de stichting aan een Melkert-baan gekomen.

Vanzelf gaat dat niet. De vluchteling moet naast zijn 'werktijd' hard studeren. De taalbarrière blijkt immers voor velen onoverkomelijk te zijn (vooral in technische beroepen) en veel vluchtelingen kampen met gedateerde kennis. Dit laatste is mede te wijten aan het feit dat asielzoekers vaak lang op een beslissing over hun eventuele status moeten wachten. In die periode mogen ze geen beroepsopleiding volgen, alleen een cursus Nederlands. Het bijhouden van vakkennis is er daardoor niet bij.

Bij de 38-jarige Irakees Assad Al Gerges komen beide problemen samen. Hij had een eigen garagebedrijf in Bagdhad en volgt, nu hij een Melkert-baan heeft gevonden bij een garage in Amersfoort, een cursus tot leerling-monteur. Chef werkplaats, R. de Groot, heeft senior-adviseur Feenstra gevraagd langs te komen. “Want Assad blijft op hetzelfde niveau hangen.” De Groot doelt op zowel zijn Nederlands als zijn technische kennis. “Zijn Nederlands is onvoldoende om de opleiding tot leerling-monteur af te maken.”

Eigenlijk wil Al Gerges stoppen met zowel de cursus Nederlands als die tot leerling-monteur - totdat hij in februari zeker is van een vaste baan. “Als hij dat doet, wordt het helemaal moeilijk om hem te houden”, zegt De Groot. En dat zou zonde zijn, want de chef van de werkplaats is dolblij met de enthousiaste Irakees. “Maar ja”, peinst De Groot, “die elektronica die in de auto's zit hebben ze in Irak niet.”