Luchtige operaatjes op Belcanto Festival

Belcanto Festival Dordrecht: Gezien: 5/9 Het Hof Dordrecht. Herhalingen: 8, 10, 13/9. Inl. (078) 639 08 47; res. (078) 613 28 00.

Het Dordtse Belcanto Festival, dat zijn eerste lustrum viert, kon dit weekeinde pas voor de tweede keer in zijn bestaan worden geopend met een openlucht-operavoorstelling in Het Hof. In vroeger jaren regende het of er werd al bij voorbaat afgezien van deze historische locatie, waar in 1572 de eerste vrije Statenvergadering werd gehouden. De twee nu opgevoerde operaatjes van Domenico Cimarosa, die deze week nog enkele malen worden herhaald, werden pas ruim twee eeuwen later gecomponeerd. Bij regen zijn de voorstellingen in de naastgelegen Augustijnenkerk.

Het Belcanto Festival, dat van staatssecretaris Nuis geen subsidie kreeg, gaat op kleinere schaal verder en functioneert nu met steun van de gemeente en sponsors deels als een internationale zangersopleiding, waarbij de leerlingen veel kunnen leren over de authentieke Italiaanse stijl en praktijkervaring kunnen opdoen in voorstellingen en concerten, onder andere met hedendaags belcanto, gecomponeerd door Gerwin van der Werf.

De twee uitgevoerde stukken zijn komische intermezzi, zoals die vroeger werden gespeeld in de langdurige pauzes van een serieuze operavoorstelling. Il maestro di capella (1793) is een stuk voor één zanger, een echte virtuoos. Want deze kapelmeester, die het publiek op zelfingenomen wijze zijn muzikale vaardigheden toont, moet ongeveer alle instrumenten van het orkest zelf kunnen imiteren. Riccardo Novaro deed dat op de première erg aardig, bij volgende voorstellingen krijgen andere zangers daartoe een kans.

Ook het veel langere L'Impresario di Angustie (1786) neemt de gang van zaken in de muziekwereld op de hak, net zoals bijvoorbeeld Mozarts Der Schauspieldirektor, waarin twee kijvende zangeressen elk de hoofdrol opeisen. Het onnavertelbare verhaal (dat in een deel van het decor wordt boventiteld) behelst satirische kunstgekkigheid uit de pruikentijd. De voorstelling werd goed gezongen en keurig begeleid door een orkestje van conservatoriumleerlingen. Maar het geheel bleef mij wat te braaf, al waren er vermakelijk details, zoals de door een heer gegeven luidruchtige natte handkus, die door de dame wordt afgedroogd aan de panden van zijn barokke pronkjasje. Vroeger werden zulke intermezzi ongetwijfeld veel cabaretesker en uitdagender gebracht voor een Italiaans publiek dat ook meer dan de huidige Dordtse toeschouwers belangstelling had voor de fratsen en grillen van operazangers. Nu is het vermaak erg onschuldig.