'Jonge sla' moet niet worden gestraft

Parmentier 8/1, Uitg. Vantilt. Prijs ƒ 17,50.

'Wij achten een beetje nadenken over literatuur en over werkelijkheid geen schande, en hebben dan ook de nodige moeite met het gemakzuchtig, zelfs reactionair entertainment dat op dit moment bladen als Zoetermeer of Maatstaf kenmerkt.' Soms spreekt een literair tijdschrift de lezer weer eens ouderwets, bijna programmatisch toe. En als dat uitspraken zijn als deze dan denkt zo'n lezer: Ja! Goed zo! Een beetje nadenken over literatuur is inderdaad geen schande. Het mag best moeite kosten. Overlezen kan geen kwaad.

Wie er zo over denkt, zal met plezier het montere stuk van Jos Joosten in Parmentier lezen met de aanmoedigende titel 'Wie dit leest is gek'. Hij veronderstelt dat zijn stuk nauwelijks gelezen wordt, want wie leest er nu nog een literair tijdschrift. Tweehonderd mensen, dan heb je het wel gehad. En terwijl hij verder gaat, zijn strenge, anti-gemakzuchtige taal uitslaand, voelt hij hoe zelfs die tweehonderd lezers hem ontsnappen. Tot er misschien, aan het eind, waar Joosten zijn teleurstelling uitspreekt over het feit dat de C. Buddingh'-prijs, de prijs voor het beste poëziedebuut, naar Pem Sluijter is gegaan, nog maar eentje over is. Die ene kan dan nog lezen dat hij het teleurstellend vindt dat Sluijters niet onaardige maar wel erg vlakke, quasi-diepzinnige gedichten, al is het maar door tweehonderd lezers, serieus genomen worden.

Joosten maakt een literair tijdschrift omdat de literatuur hem ter harte gaat. 'Na lezing van een bundel of gedicht zou de wereld er - als het goed is - voor de lezer nooit meer uit mogen zien als tevoren', schrijft hij. Het is een hoge eis. Soms is het juist fijn om alleen maar verstrooid te worden, om nog weer eens te lezen hoe het zit hoewel je dat al lang wist, om alleen maar te genieten van mooie zinnen - maar het uiteindelijkste verlangen, de rechtvaardiging voor al dat lezen, voor het belang dat je eraan hecht, is gelegen in wat Joosten hier schrijft. De wereld moet er anders van worden, omdat hij anders benoemd is, omdat andere woorden een andere blik hebben veroorzaakt. Het gaat niet om aardverschuivingen, maar wel om belangwekkende nuances.

Dit alles neemt niet weg dat Joosten soms een beetje doordraaft en voor het gemak maar meteen zonder enig literair-historisch besef roept dat Koplands 'Jonge sla' 'middle-of-the road' is. Dat is, met permissie, onzin. 'Jonge sla' klonk vijfentwintig jaar geleden bovendien heel anders dan nu, nu iedereen het kan dromen. Kunst hoeft niet gestraft te worden voor populariteit.

Er staat veel in Parmentier dat uitnodigt tot nadenken, tegenspreken en vooral, tot het (her)lezen van boeken en gedichten waaraan gerefereerd wordt. Een van de interessantste, geleerdste en meest belezen stukken is dat van J.H. de Roder 'Het verlangen naar leesbaarheid' waarin hij ingaat op 'de talloze pogingen in deze eeuw om Joyce onschadelijk te maken'. Met onschadelijk maken bedoelt hij: zo op Ulysses reageren dat de angel, het vernieuwende, moderne eruit werd gehaald. Een dergelijke reactie treft hij aan bij Eliot, die Ulysses prachtig vond maar er bekende literatuur van maakte, 'leesbare' tekst, dat wil zeggen: een spel met de Odyssee waarbij de mythe zin en structuur gaf aan de anarchie en de futiliteit van het hedendaagse materiaal. Eliot staat daarmee aan de kant van het literaire spel, het plezier van de tekst, aan de kant van de zingeving en de mythe. En daar, zo meent De Roder, hoort Joyce nu juist niet thuis. Het gaat Joyce in Ulysses niet om leesbaarheid maar om 'schrijfbaarheid', om de taal niet als middel maar als doel of, zoals Beckett schreef: 'His writing is not about something, it is that something itself.' Vestdijk zag dat (in 1934) ook in, maar met afkeer. Hij vond dat de taal daarmee tot zinloosheid was vervallen en het ging hem juist om een bezielende idee. De Roders stuk zet mooi en helder de verschillende literatuuropvattingen uiteen, die ook nu nog met elkaar strijden. Hij lijkt wel te vinden dat er gekozen moet worden, dat Vestdijk en Eliot achterhaald zijn geraakt in hun verlangen naar een betekenisgevend idee. Of het zo streng moet? Nu, daar mag een lezer van Parmentier zelf over nadenken. En dat is een genoegen.