Gered in arme tijden

De Ritman-collectie is een onvervangbaar cultuurbezit, aldus de Raad voor Cultuur in zijn advies aan staatssecretaris Nuis. De ING kreeg in 1993 het pandrecht over de Bibliotheca Philosophica Hermetica en over Ritmans bedrijf De Ster toen deze firma (in wegwerpservies) in problemen kwam. Ritman had zijn boekenverzameling niet alleen uit eigen inkomen opgebouwd, maar ook met bedrijfskredieten, en zijn bedrijf stond voor bijna een half miljard in het krijt bij de ING.

De Ritman-collectie, zo'n 18.000 boeken, 500 handschriften en 400 vijftiende-eeuwse wiegedrukken, is de grootste verzameling geschriften over de christelijk-hermetische en esoterische filosofie ter wereld. Eind 1991 was de boekwaarde 134 miljoen gulden. Nuis heeft 35 miljoen beschikbaar gesteld. Voor 1 februari 1998 moet men tot een oplossing komen.

Belangrijke verzamelingen dreigen wel vaker uiteen te vallen. Soms wordt dat voorkomen, zoals in 1935 bij de twee verzamelingen van het echtpaar Kröller-Müller: de 6.000 hectare grond van De Hoge Veluwe en de collectie beeldende kunst, waaronder 276 schilderijen en 185 tekeningen van Van Gogh, naast Mondriaans, Picasso's, Seurats, Rénoirs, Légers.

In de crisis van de jaren dertig oefenden de obligatiehouders van de commanditaire vennootschap Wm. H. Müller & Co. druk uit om beide verzamelingen te verkopen, teneinde hiermee de jaarlijkse verliezen te compenseren (en niet - zoals voordien - met het geld van obligatiehouders). Maar in de crisis was cultureel bezit vrijwel onverkoopbaar.

Kröller was, sinds 1889 toen hij als 27-jarige aan het hoofd van de firma kwam te staan, succesvol in zaken geweest. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had hij, met medewerking van de regering, samen met Van Aalst van de Nederlandse Handelmaatschappij en Van Stolk uit Rotterdam, een private NV opgericht: de Nederlandse Overzee Trustmaatschappij (NOT), die tegenover de geallieerden waarborgde dat geïmporteerde goederen niet in handen van Duitsland zouden vallen. Daardoor kreeg Müller & Co als grote reder en cargadoor in feite een monopolie-positie in de buitenlandse handel van Nederland. In 1934 onderhandelde Kröller met mr. H.P. Marchant (minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen, een vrijzinnig democraat) over het zeker stellen van de beide verzamelingen. Hij stelde voor om voor de aankoop van De Hoge Veluwe het saldo te gebruiken, dat na afwikkeling van de NOT was overgebleven (zo'n 800.000 gulden). Dat geld viel namelijk niet onder het begrotingsrecht van de Staten Generaal. In de crisistijd had de regering geen geld over en zou de Staten Generaal het kopen van 6.000 hectare zandgrond op de Veluwe niet steunen.

Het rijk kocht dus in feite het park De Hoge Veluwe voor 800.000 vooroorlogse guldens. Daarbij kwam de Kröller-Müller stichting toe aan het rijk, dat zich in ruil daarvoor verplichtte een hulpmuseum in de wildbaan van het park te bouwen met werkloze bouwvakkers uit Arnhem en bouwmateriaal dat door derden ter beschikking werd gesteld.

Dit noodmuseum vormt nog steeds de kern van het huidige rijksmuseum Kröller-Müller. De bouw van dat museum had al vanaf 1920 de hoofdrol gespeeld in het streven van Helène Kröller. In 1938 werd het noodgebouw door haar ingericht en geopend. Een jaar later overleed ze.

Zo werd, in arme tijden, een monument tot stand gebracht waar we inmiddels blij mee zijn.