Eerst doen dan pas nadenken

Het Uur van de Wolf: Het Werkteater 1970-1985, Ned.3 23.25-00.35u.

Het is verrassend grappig, het portret van het legendarische toneelgezelschap Het Werkteater dat Niek Koppen maakte voor 'Het uur van de Wolf' van de NPS. Daarbij gaat de film over meer dan het onderwerp alleen, kenmerkend voor de geslaagde documentaire. Door zijn effectieve montage van de interviews met de groepsleden biedt Het Werkteater 1970-1985 behalve in de geschiedenis van het gezelschap ook inzicht in de werking van herinnering, het voorbijgaan van de tijd, en in perceptie. Vast niet toevallig heeft Koppen (Siki, De Slag om de Javazee) de talking heads in zijn portret precies hetzelfde half-wijde kader gegeven. Daardoor kon hij heel abrupt hun uitspraken over dezelfde onderwerpen tegen elkaar monteren: de schok en ook het geestige effect dat deze strak volgehouden werkwijze teweegbrengt is daardoor steeds inhoudelijk en niet visueel van aard.

Niet toevallig ook heeft Koppen alle betrokkenen bij hen thuis - daar heeft het althans alle schijn van - geïnterviewd. Hoe weinig we ook van hun interieurs zien, in combinatie met de ouder geworden bewoners plaatsen de beelden ervan het heden doeltreffend tegenover het verleden in hun getuigenissen. Anders gezegd: ze gaan over idealen en over waar die in uitgemond zijn. Juist omdat het onderwerp zich er zo goed voor leent en de geïnterviewden bovendien vrijwel allemaal welbespraakt zijn, is het jammer dat dit thema slechts een bijproduct is in de zeventig minuten durende film. Als Koppens een langere film had gemaakt (of had kunnen maken), dan was het resultaat mogelijkerwijs van het postuur van Louis van Gasterens Hans, het leven voor de dood geweest.

Los daarvan is Koppens benadering fascinerend genoeg. Heel minutieus, vanaf het allereerste begin, reconstrueert hij met de gesprekken en met archiefmateriaal het ontstaan, het hoogtepunt en de neergang van Het Werkteater - en een tijdsbeeld. De polarisatie, in de jaren zestig geboren, moest het decennium daarna nog tot wasdom komen en veel van de kwaliteiten van Het Werkteater zijn dan ook terug te voeren op de weerzin van de leden tegen het toneel zoals het was. Geen regisseur, geen decorontwerper, artistiek noch zakelijk leider, alles collectief doen: het zijn helemaal geen inzichten die ook vandaag nog per se tot succes zouden leiden - maar toen wel. De ge- en vooral verboden die de Werkteateracteurs zichzelf en elkaar oplegden zijn nu zelfs lichtelijk absurd, maar het regime werkte. En net zo logisch hield het ook op gunstige effecten te hebben, om de simpele reden dat de groepsleden zelf zich er niet meer aan wilden onderwerpen en zich wilden ontwikkelen.

“Eerst doen en daarna pas nadenken”, verwoordt Cas Enklaar het devies van de groep, die aanvankelijk vooral wist wat zij niet wilde met toneel. Het ging “niet om het resultaat, maar om de weg ernaar toe”, analyseert Herman Vinck nu en Shireen Strooker zegt over de naam: “Je rekende af met de 'h', dat was ook zo'n stap”. De groep wilde volgens haar immers “de mentaliteit veranderen”.

Koppen staat wat lang stil bij het conflict dat, na een jaar al, tot het vertrek leidde van Jan Joris Lamers, een van de oprichters, anderzijds is dat wel begrijpelijk. Juist de begintijd was de drang tot verandering het sterkst. De getuigenissen daarover zijn dan ook het levendigst; niet alleen was de latere periode - ofschoon het succesvolst - wat minder uitgesproken, ook de herinneringen daaraan zijn dat. Heel mooi zijn die aan de leegloop, aan het begin van de jaren tachtig. “Je wilde uit de familie weg”, zegt Marja Kok en Cas Enklaar constateert: “Het was gewoon tijd”. Zijn nuchterheid contrasteert prachtig met de melancholie van Yolande Bertsch die het betreurt dat men niet in staat is geweest “een erfenis te beheren”. “Gelukkig is er nu veel tijd overheen”, zegt ze, maar overtuigd klinkt het niet.