Een sloerie die iemand zoekt om bij te biechten

Jeugdtheater: Danny en Roberta naar John Patrick Shanley, door het MUZtheater. Regie: Allan Zipson. Spel: Theo Fransz en Colla Marsman. Muziek: Jan-Willem van Kruyssen, Jan van Rijnsoever. Vanaf 16 jaar. Gezien: 5/9, De Balie Amsterdam. Nog te zien t/m 21/12 en van 11 t/m 31/5 1998. Inl. (035) 693 61 70.

“Vervelend teringwijf, sociale hulp.” Danny het Beest moet niets van Roberta de Sloerie hebben. Hij is ruig, hij is wreed, zijn gezicht is voortdurend van agressie vertrokken. Niemand heeft hem nodig, dus heeft hij niemand nodig.

De voorstelling Danny en Roberta van het MUZtheater speelt zich af in een nondescripte kroeg. Wellicht bevinden we ons in het holst van de jaren zeventig: er staan kaarsen in Chianti-flessen. Roberta, de actrice Colla Marsman, draagt een broek met wijde pijpen, de zwarte make-up rond haar ogen is uitgelopen.

Zij heeft op haar eenendertigste nog niet alle hoop verloren, maar voelt zich verwerpelijk en vies door de seks die zij met haar vader had. Radeloos zoekt zij iemand om bij te biechten en het toeval wil dat zij daarvoor op de contactgestoorde Danny stuit.

Het grove spel, doorspekt met rauwe uitroepen, verwart het publiek. Is dit om om te lachen of past hier slechts een geschokt zwijgen? Alles wat Theo Fransz als Danny zegt, of liever gezegd uitbrult, druipt van de emotie.

Het maakt hem soms onverstaanbaar, wat weliswaar hinderlijk is, maar het niet minder indrukwekkend maakt. Roberta, Colla Marsman, fleemt om contact te maken, maar kan eveneens vlijmscherp snauwen. Vooral als het over haar dertienjarige kind gaat is zij een furie.

De personages naderen elkaar voorzichtig, eigenlijk pas nadat zij het bed hebben gedeeld, durven zij echt contact te maken. De spanning is om te snijden, want hun gesprek kan op elk moment weer een gevecht worden. Slechts af en toe overtuigt het spel niet, wat waarschijnlijk voor een deel aan de vertaling van dit stuk van de Amerikaanse schrijver John Patrick Shanley ligt. Sue Hillier-Smith laat Roberta zich af en toe heel poëtisch uitdrukken. Vooral als zij verhaalt van de droom die zij eens had, over walvissen en de zee, wordt de voorstelling ineens ongeloofwaardig.

Aandoenlijk zijn de pogingen van Danny iets liefs te zeggen (“Jouw neus kijkt me aan en roept: hallo! Je kin is net zo'n, zo'n... klein teringvogeltje”). De echte omslag in zijn gedrag komt als hij onder het kussen van Roberta een Barbie vindt, gehuld in een sneeuwwit trouwjurkje. Het Beest wordt mens, maar ondanks de zorgvuldige opbouw van het stuk overtuigt de transformatie niet helemaal. De omslag is te groot en te abrupt. Overigens durft ook Roberta er niet op te vertrouwen, als zij de volgende ochtend naast hem wakker wordt.