Altaren

Ze zit op haar hurken alsof het hier Japan is. Zomer en winter draagt ze houten sandaaltjes, een broek en een kort jasje. De gelooide huid van haar gezicht is stoffig bruin als bij boeren. Haar donkere ogen die onder de plooi van de oogleden schuilgaan, kijken nooit iemand aan. Ze zien uitsluitend wat ze verloren hebben: Japan.

Als ze loopt zingt ze zacht. Vol ernst plukt ze bloemhoofdjes uit geveltuinen. De eigenaars tikken tegen de ramen en schudden hun wijsvinger. Maar hun gebaren komen de grens niet over.

Vandaag zit ze in de luwte van de glasbak. Voor haar voeten ligt - in rijtjes - een uitstalling van gevonden voorwerpen: een kartonnen cola-beker met plastic deksel waar een rietje doorheen steekt, een gescheurd stukje zilverpapier, een gedeukt sigarettendoosje, een touwtje met leeggelopen roze ballonnen van de Homo-manifestatie en glasscherven. Ze pakt de cola-beker op, bekijkt hem alsof ze hem voor het eerst ziet, draait hem in haar handen rond en zet hem na lang aarzelen op een andere plaats in de rij terug. Dan neemt ze een glasscherf tussen de vingers maar lijkt al vergeten te zijn wat ze ermee wilde. Uit een schoenendoos naast de uitstalling haalt ze een handvol verdorde rozenblaadjes en legt die in de vorm van een rozet op het zilverpapiertje. Ze schikt en herschikt. Wat maakt ze? Altaren voor geliefde doden?

Een passerende vrachtauto veroorzaakt zoveel wind, dat de beker omrolt, de blaadjes wegwaaien. Ze staat op, zoekt tot ze de meeste hervonden heeft en gaat weer op haar hurken zitten.

Nu kijkt ze opzij en begint te praten als was daar iemand. De klanken worden door het verkeer overstemd. Ze houdt haar handen gestrekt tegen elkaar gevouwen voor de borst en lacht en buigt vele malen. Daarop biedt ze de onzichtbare met gestrekte armen lege deksel van de schoenendoos aan. Al buigend en lachend legt ze de deksel terug op straat en begint opnieuw ernstig te schikken.

Een brommer scheurt vlak langs haar over de stoep. Ze laat alle voorwerpen in de steek. Alleen de schoenendoos neemt ze mee. Vijftig meter verder hurkt ze neer en begint andere voorwerpen uit te stallen. Twee straten terug ligt - verlaten tegen een gevel - een krant gespreid met daarop, in rijtjes, vers geplukte bloemhoofdjes en stukjes piepschuim.