Wat in Nederland nodig is voor meer economische groei; Minder polder en goedkopere fietsen

Het gaat goed met Nederland, maar het kan nog beter, meent het adviesbureau McKinsey. Het bureau bracht eergisteren een rapport uit waarin het mogelijkheden aangaf voor 1,5 procent hogere groei en een miljoen extra banen. Alleen moet Nederland er dan iets anders uit gaan zien.

Nog een beetje minder polder, grote winkelcentra aan de rand van de stad, veel meer dienstbetoon door de middenstand, goedkopere fietsen, en weg met de coöperaties.

McKinsey & Company: 'Boosting Dutch Economic Performance'. Amsterdam, september 1997.

CPB Netherlands Bureau for economic policy analysis: 'Challenging Neighbours', 'Rethinking German and Dutch economic Institutions'. Springer-Verlag Berlin Heidelberg New York; ISBN 3-540-63501-7.

In Holland staat een huis. Nou ja, een huisje, veelal ingeperst tussen andere even kleine huizen op een kleine lap grond. De Nederlander heeft voor een eengezingswoning met tuin (gemiddeld) 320 vierkante meter ter beschikking, de Duitser twee keer zo veel, en de Fransman bijna vier keer zo veel.

De huidige hoogconjunctuur heeft de traditioneel spaarzame Nederlanders verleid tot de aanschaf van nieuwe auto's en wasmachines. Dankzij de tweede hypotheken op de snel duurder geworden huizen hebben de Nederlanders vorig jaar voor zo'n 20 miljard gulden extra geconsumeerd, maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) deze week bekend. De massale bekering tot de beurs heeft van menig belegger een vermogende gemaakt.

De nieuwe welvaart betekent een nieuwe keuken, misschien een nieuw huis, maar (gemiddeld) geen groter huis. De Nederlanders zijn redelijk tevreden met hun rijtjeshuizen in wijken, die HP/De Tijd ooit betitelde als 'het geluk van de gruttoweide'. Diep in hun hart verlangen zij echter naar een huis zoals in hun eigen kindertekeningen: een puntdak, gezellige ramen, een schoorsteen en vooral vrijstaand.

“Een losstaand huis met een tuin eromheen; zo wil de Nederlander het liefst wonen, blijkt uit enquêtes”, zei de architect Carel Weeber onlangs in deze krant. De architect bepleit de Nederlanders grotere lappen grond te geven dan de overheid nu van plan is, zodat die daarop met bouwpakketen hun eigen vrijstaande woningen kunnen neerzetten. “Als je mensen hun eigen huis laat bouwen, wordt de variatie veel groter.”

Minder eenvormige huizen op grotere percelen zijn ook goed voor de groei van de welvaart en de werkgelegenheid, concludeert het adviesbureau McKinsey. Door de zuinige gronduitgifte, zoals die is vastgelegd in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex), zal de productie van woningen na 2002 worden gehalveerd. Dat kost in de bouw 50.000 banen en nog eens een groot aantal in de toeleverende industrie. Op dit moment zijn huizen in Nederland drie keer zo duur als in de Verenigde Staten door de grondschaarste en tijdrovende vergunningsprocedures. Een lichte vergroting van het woningbouwareaal, een verkorting van de procedures en een gevarieerder woningaanbod leveren naar verwachting juist 50.000 extra banen op.

“Het is een misverstand dat daarvoor in Nederland geen ruimte is”, zegt onderzoeker A. van Wassenaer van McKinsey. Nog geen 8 procent van het oppervlak is nu bebouwd met woningen, terwijl maar liefst 70 procent is bestemd voor de landbouw.

Liberalisering van de wereldhandel en het aangetrokken Europese landbouwbeleid maken inkrimping van het landbouwareaal waarschijnlijker dan uitbreiding. “De verkoop van landbouwgrond ten behoeve van woningen geeft veel Nederlandse boeren de mogelijkheid tot een warme sanering van hun bedrijf”, meent Van Wassenaer. De overheid zou de bouwgrond volgens McKinsey moeten uitbreiden tot 10 procent van Nederland, in plaats van de voorgenomen 8,5 procent.

De royalere grondgifte is naar eigen zeggen een van de meer “controversiële” aanbevelingen van McKinsey in de studie Een stimulans voor de Nederlandse economie.

Het rapport is eergisteren aangeboden aan premier Kok in de hoop dat het verwerkt kan worden in de verkiezingsprogramma's, waaraan de politieke partijen al driftig sleutelen met het oog op de parlementsverkiezingen volgend jaar mei. Het overnemen van de aanbevelingen leidt volgens McKinsey de komende tien jaar tot jaarlijks 1,5 procent extra groei en een miljoen nieuwe banen.

Welvaart en werk blijven ruim drie jaar nadat het paarse kabinet aantrad onder het motto 'werk, werk en nog eens werk' belangrijke thema's in het verkiezingsjaar.

Het kabinet presenteert op Prinjesdag een 'droombegroting', de economie en de werkgelegenheid zijn in Nederland sterker gegroeid dan in menig ander Europees land. Maar Nederland kampt nog altijd met een relatief lage welvaart per hoofd van de bevolking en een leger van langdurig werklozen. D66-minister Wijers (Economische Zaken) vindt dat Nederland nog jaarlijks een stabiele welvaartsgroei van 3 procent nodig heeft, zo herhaalde hij donderdag in een eerste reactie op het rapport.

Zijn PvdA-collega Melkert (Werkgelegenheid) heeft zijn naam verbonden aan gesubsidieerde banen voor werklozen.

Nederland heeft nog altijd een achterstand op Duitsland, Frankrijk en de Verenigde Staten, concludeert McKinsey uit een vergelijking van zes sectoren - de bouw, de detailhandel, het openbaar vervoer, financiële dienstverlening, automatisering en de voedingsindustrie. Benchmarking, zoals die vergelijking heet, “geniet veel aandacht”, constateerde minister Wijers donderdag. Zijn ministerie publiceert over enkele weken een internationale concurrentietoets. Het Centraal Plan Bureau (CPB) publiceerde afgelopen week het rapport Challenging Neighbours, waarin Nederland met Duitsland wordt vergeleken met als conclusie: “Nederland is er nog niet.”

De Nederlandse productiviteit is hoog, volgens het CPB-rapport de hoogste ter wereld als wordt gekeken naar de opbrengst per gewerkt uur. McKinsey constateert onder meer dat de Nederlandse aannemers maar liefst 30 procent meer produceren dan hun Duitse collega's, die huisje voor huisje bouwen. Nederlandse banken zijn in het betalingsverkeer 35 procent productiever dan de Amerikaanse banken. “De grote productiviteit van de laatste jaren is bereikt door de uitstoot van improductieven uit het arbeidsproces”, zegt McKinsey-directeur R. van Reibestein. Zijn collega Van Wassenaer definieert het huidige economische succes als “een feestje voor veel mensen, waarbij je een miljoen mensen buiten laat staan.”

Een miljoen, of eigenlijk 1,3 tot 1,6 miljoen, is het aantal werklozen dat McKinsey heeft geteld. Dat is 20 tot 23 procent van de beroepsbevolking, tegen de 6,3 procent die het CPB hanteert. Het verschil is dat McKinsey mensen meetelt die elders in Europa ook als werkloos betiteld worden, zoals schoolverlaters en werklozen met bijstand. “In de Wet arbeidsongeschiktheid (WAO) zit veel verborgen werkloosheid. In Duitsland zit vier procent in de WAO, in Nederland 9 procent, terwijl de Nederlander niet ongezonder is dan de Duitser”, licht Reibestein toe.

Veel werklozen zouden in principe aan de slag kunnen in de dienstverlening, die volgens het CPB in Nederland beter is ontwikkeld (59 procent van de economie) dan in Duitsland (46 procent). “Maar nog lang niet zo sterk als in de VS, waar de laatste vijf jaar miljoenen hoogbetaalde én laagbetaalde banen zijn geschapen. Voor laaggeschoolden in Nederland is er in principe voldoende werk in de kinderopvang, recreatie, ouderenzorg, fitness en carpool-chauffeurs. Er zijn nu al ondernemingen die hun hoger personeel niet alleen bedrijfscrèches bieden, maar ook iemand die de woning komt schoonmaken”, vertelt Reibestein. Tussen uitkering en baan heeft McKinsey bij het sectoronderzoek zes barrières gevonden, die ook het verschil markeren tussen achterstand en voorsprong van het Nederlandse bedrijfsleven.

Het ontbreken van voldoende prikkels voor het scheppen van banen en de starre arbeidsmarkt zijn inmiddels bekende klachten van werkgevers. Dat geldt minder voor de al genoemde beperkte gronduitgifte, het slechte klimaat voor beginnende bedrijven in de snelgroeiende sectoren, de beperkte concurrentie en de gebrekkige corporate governance, het stelsel van regels rond de zeggenschap over de onderneming.

De detailhandel is een aardig voorbeeld van de onbenutte kansen op werk en welvaartsgroei in Nederland. In de VS zijn de supermarkten, speciaalzaken en warenhuizen de grootste scheppers van banen geweest in de afgelopen tien jaar. Als in Nederland per duizend inwoners net zo veel mensen in een winkel zouden werken als in de VS zou Nederland 300.000 banen meer hebben. Dat dit niet het geval is, heeft te maken met het gebrek aan concurrentie in de branche, de starre arbeidsmarkt en de hoge loonkosten.

De Nederlander betaalt voor zijn voedsel, kleding, sportartikelen en fietsen 20 procent meer dan de Amerikaan, waardoor minder wordt gekocht (44 procent minder dan in de VS). Dat is voor een deel te wijten aan het Europese verbod op parallelle import, maar vooral aan beperkte concurrentie door prijsafspraken tussen leveranciers en detaillisten.

De Nederlander krijgt voor de extra bijdrage aan de marge van de detaillist ook nog eens minder (16 tot 36 procent) service in vergelijking met de Amerikaan, wiens boodschappen worden ingepakt aan het einde van de lopende band. “Melkert vindt dat geen baan”, moppert Reibestein, “maar Nederlanders, en dan bedoel ik heus geen bewoners van Wassenaar, moeten leren omgaan met dienstbetoon.”

In Amerikaanse winkels werken door dit soort werk 23 procent meer mensen dan in Nederland, met name bij traditionele winkels. “Duidelijk is dat kant-en-klare maaltijden in opmars zijn. De slager die een kok wil inhuren om die te bereiden, ontdekt dat die in een heel andere CAO zit en niet kan werken wanneer dat het beste uitkomt”, zegt Van Wassenaer.

Een ander probleem zijn de arbeidskosten, die ongeveer 60 procent van de winkelmarge opslokken. Een hindernis voor winkels om laaggeschoolden bijvoorbeeld boodschappen te laten bezorgen is het minimumloon, dat in Nederland bijna twee keer zo hoog is als in de VS. Ter verdediging van het minimumloon wordt vaak gezegd dat het relatief weinig voorkomt, maar juist in de detailhandel is de groep minimumloners het grootst van alle loontrekkers (ongeveer 20 procent).

McKinsey stelt voor om het minimumloon te verlagen en in ruil daarvoor de lagere inkomensgroepen een negatieve inkomstenbelasting te geven. Dit systeem van earned income tax credit dat in de VS al bestaat, zou betaald kunnen worden uit een verhoging van de belasting op consumptie.

In combinatie met een aangescherpt uitkeringsbeleid zou dit ongeveer 150.000 banen in de detailhandel kunnen opleveren.

De verlaging van het minimumloon is in de Nederlandse politiek omstreden en stuit altijd op verzet van de ministers van Sociale Zaken, onder wie de huidige. Melkert liet zich donderdag in een eerste reactie wel positief uit over de tax credits, waarvoor hij eerder ook al pleitte. De ontwikkeling van de detailhandel wordt tevens gehinderd door de beperkte gronduitgifte, die ook de woningbouw parten speelt.

Hoewel het Rijk 15 plekken heeft aangewezen aarzelen gemeenten te experimenteren met grote, overdekte winkelcentra buiten de stad. De Franse hypermachés generen door de afwezigheid van aanvullende speciaalzaken nauwelijks extra omzet, maar dat ligt anders in de VS. Daar trekken in de shopping malls de hypermarkten de klanten, die vervolgens ook boodschappen doen in de daar gevestigde speciaalzaken met veel personeel.

De zuivelindustrie gebruikt de grote lap agrarische grond, waarop dus geen huizen of winkels mogen staan, op zijn beurt niet optimaal. De productie van de voedingsindustrie is erg hoog, maar het is bulkproductie. Er lopen veel Goudse kazen van de lopende band, die echter minder opleveren dan de handgemaakte en dus arbeidsintensieve fetakaas en Danish Blue van de Denen. De Nederlandse zuivelindustrie geeft slechts 0,3 procent van de omzet uit aan onderzoek naar vernieuwing van de producten en dreigt marktaandeel te gaan verliezen aan de bulkproducenten in Hongarije en Polen.

De oorzaak van de bulkproductie in de zuivel ligt volgens McKinsey in de gebrekkige corporate governance in Nederland. In Nederland zijn, anders dan in de VS of Engeland, de aandeelhouders niet de baas.

De commissarissen zijn onder het structuurregime de spin in het web van de onderneming. Zij benoemen en ontslaan bestuurders en benoemen elkaar door coöptatie. De invloed van kapitaalverschaffers wordt verder beperkt door de baaierd aan beschermingsconstructies die ondernemingen zijn toegestaan.

De commissie-Peters heeft afgelopen zomer veertig aanbevelingen gedaan om de verantwoordingsplicht en de transparantie van ondernemingen te vergroten.

Het is te weinig, vindt zowel CPB als McKinsey. “Bij bedrijven waar het minder goed gaat is de kans groot dat het management de raad van commissarissen niet zo nodig vindt en buitenspel zet”, zegt G. Gelauff van het CPB. Het CPB wil af van het coöptatiestelsel, waarvan minister Zalm (Financiën) onlangs ook heeft gezegd dat het op de helling moet. Van Wassenaer van McKinsey vult aan: “Peters pakt het old boys-netwerk van de commissarissen en bestuurders goed aan, maar doet te weinig voor de aandeelhouders.”

Door de geringe invloed van aandeelhouders wordt het beschikbare kapitaal in Nederland onvoldoende benut.

Volgens McKInsey “vernietigen Nederlandse ondernemingen waarde”. Slechts driekwart van de capital costs, de kosten voor het aantrekken van kapitaal, wordt in Nederland terugverdiend. “Alleen in Duitsland wordt meer waarde vernietigd, in de VS en Canada wordt waarde gecreeerd”, zegt Van Wassenaer. De VS en Canada zijn niet toevallig de landen waar de werkgelegenheid de afgelopen 25 jaar is gegroeid.

Nederlandse zuivelbedrijven zijn coöperaties en die hebben helemaal geen aandeelhouders en dat is volgens McKinsey precies het probleem. De structuur waarbij de 'winst' van de coöperatie wordt teruggeven aan de aangesloten boeren in de vorm van hoge afnameprijzen voor de melk leidt tot lage investeringen in markt- en productontwikkeling. McKinsey vindt dan ook dat de coöperaties hun eigendomsstructuur moeten veranderen en bijvoorbeeld naar de beurs moeten gaan. In Ierland is de voormalige zuivelcoöperatie Kerry in 1985 naar de beurs gegaan en heeft sindsdien de omzet verzesvoudigd.

Weinig is echter zo Nederlands als juist de coöperatie, die aan de basis heeft gestaan van het zeer grote succes van de Nederlandse landbouwsector. Het CDA is uit de regering en het maatschappelijk middenveld dat deze partij vertegenwoordigt heeft aan betekenis ingeboet onder de huidige links-liberale regering. Niettemin zijn instellingen als coöperaties nauw verweven met de Nederlandse manier van leven en werken, net zoals de sociale zekerheid, de CAO's en misschien het minimumloon.

Het CPB, dat zelf tenslotte deel uitmaakt van het krachtenveld in Den Haag, heeft daarvoor een scherpe antenne. De zeer gedetailleerde CPB-studie naar een “vitaal stelsel van instituties” is dan ook eerder een neerslag van de politieke consensus dan een baanbrekend onderzoek.

Het CPB heeft bijvoorbeeld veel aandacht voor zogeheten trade off-problemen, die directeur H. Don vertaalt als 'de dilemma's'. “Bijvoorbeeld diversiteit versus doelmatigheid. Zo is het leuk dat er nog veel kleine ondernemers in bepaalde sectoren zijn, terwijl aan de andere kant schaalvergroting kan leiden tot grotere doelmatigheid”, zei Don afgelopen week. En: “Of flexibiliteit versus commitment.

Het is goed snel te kunnen inspelen op veranderingen, maar bestaande afspraken over bijvoorbeeld de arbeidsmarkt hebben ook hun waarde in het systeem.'

Anders gezegd, Nederland zal de bestaande verworvenheden nog niet zo snel afleggen voor een veelbelovend maar onzeker avontuur op het pad van McKinsey.

De eerste reacties op 'Een stimulans voor de Nederlandse economie' waren wat dat betreft veelzeggend. Wijers, die zich tijdens zijn ministerschap heeft geprofileerd als de vrijemarktdenker die de bestaande economsche instituties wil hervormen, liet weten: “Ik ben het in hoofdlijnen met McKinsey eens.” Melkert, de representant van de Nederlandse overlegeconomie was heel wat zuiniger met zijn bijval voor vernieuwing, “met oog voor de sociale en culturele normen en waarden die in het geding zijn”.