Toenmalig

Een mooie voorjaarsochtend in 1969. Het moet bijna zomer zijn geweest. De bomen flink in het blad, al dagen hoefde je geen jas meer aan. Er zijn van die ochtenden die je je als mooi herinnert, wat wil zeggen dat er niets aan ontbrak. Ga dan niet nazoeken hoe het misschien werkelijk is geweest want de werkelijkheid zit al in je hoofd.

De ruimte tussen de voorkant van het Begijnhof en het Maagdenhuis was door veel politie afgezet. Bij de Kalverstraat stond het door niemand gevreesde gevaarte van het toenmalig gezag: het waterkanon. In het centrum van het toneel prof. Belinfante, rector magnificus van de Gemeente Universiteit. Een aardige man, niets op aan te merken.

Nu, in functie, had hij een elektrische toeter waardoor hij de bezetters van het Maagdenhuis sommeerde zich over te geven.

Wij stonden op de hoek van het Spui en de Nieuwezijds Voorburgwal, en we verveelden ons geen seconde.

“Dat wordt niets”, zei Joop.

“Voor zulke dingen is Belinfante niet geschikt.”

We moesten erom lachen, we gingen even een kopje koffie drinken, niet lang, want Joop ging terug, gedreven door het Du sollst van het nieuws dat hem sommeerde: terug naar het strijdtoneel. Pas heel veel later merk je hoe aardig op zo'n ochtend het toeval voor je is geweest.

In de loop van je leven betrap je je erop dat je meer over 'vroeger' gaat vertellen. Dat kan misverstanden wekken. Mensen die nog niet zoveel 'vroeger' hebben, verdenken je ervan dat je wijsheden zit uit te delen. Geen sprake van. Iedere leeftijd heeft zijn eigen wijsheid. Ik weet nog welke de mijne waren toen ik een jaar of vijf was. Ook weet ik nog nauwkeurig welke kinderen en grote mensen me toen bevielen, en wie niet, en waarom. De aardigen, als je bij elkaar in de buurt blijft, of na verloop van tijd in de buurt komt en dat zo weet te bewaren, worden vanzelf tot je reisgenoten.

Soms komt er iets bij. Degenen die van het schrijven hun beroep hebben gemaakt, kennen het uit de ervaring van iedere dag. Terwijl je bezig bent, merk je soms (gelukkig niet voortdurend) dat iemand volgt wat je doet. Niet de frik die door de klas beende en af en toe over je schouder keek; niet de welwillende of kwaadaardige criticus die je straks, na gedane zaken, op het rechte pad van zijn eigen ontwerp wil helpen of die je mores zal leren. Ik bedoel degene die misschien nog beter weet dan je zelf, wat je wilt schrijven; die je nog eens doet aarzelen over een woord voor je het definitief opschrijft, en die een nee-nee-nee laat horen als je je in gedachten al hebt vergaloppeerd en dat nog mooi dreigt te gaan vinden ook. Samengevat: de meelezende reisgenoot die zich op een niet te lokaliseren punt tussen je hersens en je schrijvende hand bevindt.

Ik gebruik mezelf als voorbeeld - niet als dat van een meelezer, want je weet zelf nooit of je in die hoedanigheid waar terecht bent gekomen. Ben ik aan het schrijven dan is Joop van Tijn een van mijn twee of drie meelezers. Reisgenoot nu niet meer.

Dat vind ik verschrikkelijk, dat moet voldoende zijn. Het meelezen blijft. Ik schrijf dit stukje. Hij leest mee, zoals ik het wil. Hij zegt: 'Ja, zo was het; maar dat toenmalig gezag. Dat staat raar in dit verband. Toenmalig? Nee.

Verzin daar iets anders voor.'

Deze keer niet, want ik had het nodig om het te kunnen schrappen.

Hij lacht.