Tegen privatisering en excellentie; 'Nederlandse universiteiten leven in een paradijs'

Een student moet ook kunnen falen. Bestuursvoorzitter Dittrich van 'Maastricht' ziet een gevaar in het nutsdenken. 'Waarom zou je excellentie stimuleren?'

HET GAAT GOED met 'Maastricht'. Dit jaar heeft de universiteit (8.500 studenten, faculteiten gezondheid, rechten, economie en cultuurwetenschappen) bijna zeventien procent meer eerstejaarsstudenten dan vorig jaar. Het is een ongekende groei in een krimpend universitair landschap.

Oude en veel grotere Alma Maters als Leiden en de UvA verloren respectievelijk bijna veertien en acht procent van hun eerstejaars. En het eerst wantrouwend bekeken Maastrichtse systeem van 'probleemgestuurd onderwijs', waarbij niet 'leerstof' maar een probleem centraal staat en hoorcolleges dus uit den boze zijn, wordt in het landelijke streven naar 'studeerbaarheid' steeds vaker door andere universiteiten overgenomen.

Ook in de persoon van de bestuursvoorzitter, K.L.L.M. Dittrich, lijkt Maastricht zich een beetje te onderscheiden. Tenminste, hij heeft zich afgelopen maandag bij de opening van het academische jaar al voor de tweede achtereenvolgende keer gekeerd tegen de mode van het marktdenken en het streven naar excellentie in de universitaire en politieke wereld - een ongewone daad voor de topman van een universiteit. Een dag later serveert hij op zijn kamer koffie met vlaai. In de manier van spreken lijkt Dittrich een beetje op de rector magnificus van Maastricht, oud-staatssecretaris en PvdA-fractievoorzitter in de Senaat, Job Cohen: vriendelijk, behoedzaam en enigszins laconiek.

Dittrich: “Tja, ik denk dat er binnen ons college van bestuur en misschien wel in de hele instelling inderdaad een andere mentaliteit heerst dan elders: voorzichtiger, gematigder.” Hij geeft drie redenen voor de studententoevloed naar het kalme zuiden: het geavanceerde onderwijssysteem; de stad Maastricht: klein, overzichtelijk, 'buitenlands'; en de internationalisering. “Nog los van de samenwerking met Aken en België gaat bij ons dertig procent van de studenten tijdens de studie naar het buitenland, naar Frankrijk, Amerika, Afrika. Landelijk ligt dat percentage op drie.”

Drie jaar geleden legde het kabinet zware bezuinigingen op, in ruil voor grotere bestuurlijke vrijheid. Afrekenen op kwaliteit, strengere eisen aan studenten èn docenten, en vooral 'marktwerking' werden het devies. Is er al iets veranderd?

Dittrich: “Och, ik bemerk alweer een renaissance van oudere denkbeelden. Begrippen als marktwerking en privatisering zijn door universiteiten en politiek snel in de mond genomen en soms bijna doodgeknuffeld. Nu komt het er op aan wat dat betekent voor de praktijk. Ik zie mensen al weer terugdeinzen voor hun al te gemakkelijke opvattingen. Ik heb die ideeën gelukkig nooit gehad. Misschien ben ik een klein beetje een buitenbeentje: ik heb een vrij romantische visie op universiteiten. De combinatie onderwijs-onderzoek is voor mij heilig. En hoger onderwijs is een zaak die de overheid zeer sterk aangaat. Ik ben niet zo weg van meer marktwerking.

“Wel bepleit ik een restrictieve beleidsopvatting: de universiteiten doen het op dit moment vrij goed en het zou wijs beleid zijn een aantal maatregelen zoals de onderzoeksscholen, studeerbaarheid, eens een kans te geven. Ik denk dan aan een termijn van zes à acht jaar. Eerst maar eens zien.”

Wat is er mis met het idee om naast 'gewone' onderzoeksscholen, waarin onderzoekers van verschillende universiteiten samenwerken, een aantal top-onderzoeksscholen aan te wijzen, met extra middelen?

“Door telkens maar te verengen tast je juist de kracht aan van het Nederlandse stelsel: goed èn breed. Wij zijn goed in de breedte, niet in de excellentie. Nederland heeft geen topuniversiteit, maar we zijn wel allemaal relatief goed, met name door die combinatie onderwijs en onderzoek en de egaliteit in de financiering van de universiteiten.”

Als je de top extra stimuleert, kan die breedte toch gewoon blijven bestaan?

“Nee dat kan niet, dan gebeurt er iets merkwaardigs. Onder de groep toponderzoeksscholen die naar internationale maatstaven wordt gemeten, ontstaat een vorm van wetenschappelijk proletariaat. Alleen al psychologisch werkt dat heel slecht. Om die toponderzoeksscholen te creëren worden delen uit andere onderzoeksscholen weggehaald, soms uit zuiver opportunisme. Een deel van de mensen en programma's kan mee, anderen niet. Wat gaat er daar gebeuren bij volgende bezuinigingsronden? Daar gaan de klappen vallen: 'Waarom zou je dat in stand houden?' is dan de redenering. Zo krijg je steeds meer competitie tussen steeds kleinere groepen om steeds minder geld. Wat schieten we daarmee op? Neem de Nederlandse astronomen, die zijn van wereldnaam. Heb je dan ook nog eens een toponderzoeksschool nodig? Die zijn toch al top?”

Maar dan zouden ze toch meer middelen krijgen? Je hebt hetzelfde met de excellente leerpaden voor studenten. De universiteiten zijn te veel op het gemiddelde gericht, is de gedachte. De excellentie zou niet voldoende worden gestimuleerd.

“Maar waarom zou je excellentie stimuleren? Talent wordt tòch wel ontwikkeld. Er studeren nu toch ook mensen af met negens? En het echte goede onderzoek weten we toch wel te vinden. Die top is heus in staat zelf grote opdrachten binnen te halen. Er zijn nu 110 onderzoeksscholen: niet allemaal even fantastisch, maar ze stellen wèl iets voor. Daar kun je toch mee uit de voeten? Topscholen leiden alleen maar tot verstarring. Als je nu een groep tien miljoen extra geeft, ga je dat dan over zes jaar weer afpakken? Wat een kapitaalsvernietiging zou dat zijn! Hetzelfde geldt voor het onderwijs: je moet alles doen om studenten te stimuleren, maar ik zie weinig in excellente leerwegen.”

Er bestaat nu eenmaal een egalitaire cultuur in Nederland. Is een beweging die de laatste tien jaar opduikt, ter stimulering van 'topkunst', 'topwetenschap' en topkwaliteit in het algemeen, dan niet een gezond tegenwicht?

“Nee, die stimulering is niet nodig, dat gaat vanzelf. Als het Nederlandse stelsel er nu op gericht was om de top kapot te maken, okee. Maar dat is niet zo. Iemand die zich goed ontwikkelt wordt geen strobreed in de weg gelegt. Wat dat betreft zijn de opvattingen wel veranderd.”

Misschien wel dankzij het hameren op de top.

“Misschien, maar ik denk dat dat topdenken gewoon modieus is.”

De Leidse universiteit wil wèl een top-universiteit worden, met strengere selectie van studenten. Het dalende studentenaantal kan dan zelfs worden uitgelegd als een bewijs van excellentie.

“Dat zal moeten blijken. Ik ben tegen dat excellentie- en selectie-denken. Het lijkt mij heel lastig om al na een jaar te beoordelen wie mag blijven en weg moet, zoals Leiden nu gaat doen. Mijn persoonlijke opvatting is dat mensen ook een keer moeten kunnen falen en dat het eigenlijk een wonder is dat zoveel achttienjarigen wèl de goede keuze blijken te maken. Pas na twee jaar mag je mensen, die een bepaalde norm niet halen, weg sturen.”

Waarom pas dan?

“Het modieuze nutsdenken vereist dat het geld dat in mensen wordt geïnvesteerd zo snel mogelijk rendabel is.

Iemand die na vier jaar is afgestudeerd heeft de overheid nu eenmaal minder geld gekost dan iemand die na vijf of zes jaar klaar is. Maar ik denk dat hij daardoor in zijn verdere leven juist minder waard is. Zo'n student zou beter af zijn als hij of zij naast de studie andere dingen heeft kunnen doen, onderuit heeft kunnen gaan, eens heeft kunnen falen.''

Vaste tegenwerping is dan dat de werkende leeftijdsgenoten niet mogen falen, terwijl ze wel belasting betalen. Creëer je zo niet een vrijgestelde elite, die later ook nog een goed salaris verdient?

“In de eerste twee jaar vallen de mensen die er met de pet naar gooien of die het niet kunnen, vanzelf af.

Daarna zie je dat 90 procent het doctoraal haalt. Natuurlijk kun je steeds strenger gaan selecteren en steeds hogere eisen stellen, maar je leidt wel mensen op die straks maatschappelijke functies innemen, die creatief moeten zijn, gebaande paden moeten durven te verleggen en die sociale verantwoordelijkheid dragen. In die zin vind ik de druk om in vier jaar af te studeren merkwaardig. Zelfs als we de opleidingen volstrekt studeerbaar in vier jaar zouden maken, zal nog 95 procent van de studenten het niet binnen vier jaar halen. Omdat ze er allerlei dingen bij doen, omdat ze ook bij een herkansing kunnen falen, omdat ze naar het buitenland gaan, meer werk van hun scriptie maken, of er andere, niet-verplichte vakken bij doen.

Prima. De studiefinanciering moet daaraan worden aangepast. Nu leidt dat soms tot tienduizenden guldens studieschuld, die ze na hun afstuderen echt niet met gemak kunnen terugbetalen.''

Nog niet zo lang geleden gold vijf jaar als heel snel afstuderen.

“Kun je nagaan hoe snel die grens verlegd is. We hebben op de universiteit nu mensen die zes jaar financiering krijgen, andere met vijf jaar en weer anderen met vier jaar, binnen één studentengeneratie! De universiteit wordt bedreigd door nutsdenken, gericht op het bijna meteen te gelde willen maken van kennis die door een universiteit wordt geproduceerd.

Terwijl het opleiden van mensen met vaardigheden en verantwoordelijkheidsbesef een langere-termijnnut is, dat niet in economische termen kan worden uitgedrukt. In die zin is onze opleiding meer dan onderwijs alleen.

Het hoeft de overheid niet meer geld te kosten. Maar zij is wel gebaat bij ons product - vreselijke term! - dat uit studenten bestaat die verantwoordelijke posities kunnen innemen en de staat vooruit helpen - in economische groei, maar ook in stabiliteit en sociale ontwikkeling.''

Wat merkt u in de praktijk van die dominantie van het korte-termijndenken?

“Een jaar of twee, drie geleden trof ik het heel sterk aan in kringen van VNO en NCW: het steeds maar tamboereren op het afleveren van meteen inzetbare mensen en op onderzoek dat aansluit bij economische ontwikkelingen. Als wordt gezegd dat onze afgestudeerden niet meteen inzetbaar zijn, wil ik ook horen op welke punten onze mensen tekort schieten. Maar dan is aan ons de beslissing of we onze opleiding aanpassen of dat er per definitie een mismatch bestaat tussen wat gevraagd wordt en wat wij afleveren.

Misschien is die mismatch wel een gelukkige. Dat geldt bijvoorbeeld voor onze faculteit cultuur en wetenschapsstudies: dat zijn buitengewoon knappe en creatieve mensen, maar als je me vraagt: 'waar leid je nou voor op?' dan weet ik het niet. Ik hoop voor een beroep waar men knappe en creatieve mensen nodig heeft. Wàt men dan gestudeerd heeft, komt op het tweede plan. Maar het bedrijfsleven is geen vijand, hoor. We zoeken juist ook meer contacten met het Limburgse bedrijfsleven. We hebben ook een regionale taak.''

Welke marktwerking mag nog wel? Waar ligt de grens van de verantwoordelijkheid van de overheid?

“Dat is erg moeilijk onder woorden te brengen. Je kunt de overheid als een gewone marktpartij beschouwen, een partij waarmee je toevallig een groot contract hebt: dat je zoveel studenten opleidt en aflevert en zoveel onderzoek doet. Maar dat doet te kort aan de andere verantwoordelijkheid van de overheid voor de verdere ontwikkeling van de samenleving. Ik weet niet welke van de kerntaken van de universiteit wezenlijk anders wordt als we de overheid als marktpartij gaan zien. Je merkt dat sommige universiteiten wel verder willen.

Van Vught, de nieuwe rector in Twente, en misschien ook wel Gevers in Amsterdam beschouwen de overheid gewoon als een van de vele partijen. Ik ben conservatiever.

“Het kan zijn dat universiteitsbestuurders meer 'markt' willen, omdat ze vinden dat de universiteit te zeer wordt ingeperkt door overheidsregels. Ik denk dat dat meevalt. Als je onze situatie vergelijkt met die in de rest van Europa, zijn we hier heel goed af. Nederlandse universiteiten worden bestuurd op basis van een eenvoudige lump sum, daarbinnen hebben we een maximale bestedingsvrijheid. Achteraf leggen we verantwoording af. De overheid grijpt zelden in. Dat gaat elders wel anders. We hebben geprobeerd samen met Aken, Luik en Hasselt opleidingen op te zetten. Onze collega's in Aken bleken voor elke begrotingsverschuiving boven de 25.000 mark, van in totaal ongeveer één miljard, toestemming te moeten vragen aan het ministerie in Düsseldorf. Voor de Vlaamse counterparts is alles dichtgetimmerd door een decreet van de Vlaamse deelregering: 'Dit mag, en verder niks.' Dan leven wij, dat moet ik zeggen, toch wel in een paradijs.”