't Ritme van de regen

ELK JAAR OPNIEUW is er het voornemen om allerhande knellende kwesties tijdens de kampeervakantie nu eindelijk tot oplossing te brengen en elk jaar opnieuw is er bij terugkeer de gêne dat het er niet van kwam. Weer bleef men in halfhartigheden steken omdat opeens de lust wegviel of onmisbare hulpmiddelen ontbraken.

Proefje opgezet om met pingpongballen aan een lange hengel wat kwantitatief onderzoek te doen aan de 'moon illusion' (de laag aan de hemel staande volle maan lijkt groter dan de hoge), proefpersonen in slagorde opgesteld, en dan blijkt dat er ook nog een goede zaklantaarn nodig is om de balletjes te verlichten. Programma desondanks afgewerkt, alles opgeschreven en aantekeningen stilletjes weggeworpen.

Het links of rechts winden van heggerank, kamperfoelie, warkruid en allerhande wikkes en winden: het vergelijkend onderzoek is een werkje van niks en toch komt het er niet van. Potloodje zoek of opschrijfboekje weg, geprobeerd te onthouden en toch weer vergeten. Waren het nou de bloemen van knautia of van scabiosa die van lila naar groen verkleurden als je er tabaksrook over blies? Fijne sigaren gekocht, maar daarna geen bloeiende planten meer kunnen vinden.

Kan de zwemmer in de schroef van een passerend binnenvaartschip worden gezogen? Te water, lang gewacht, maar geen schip gezien. Raakt men eerder aangeschoten in de volle zon dan in de volle schaduw? Het blijft een open kwestie.

Toch was het kamperen dit jaar niet helemaal voor niets. De hier eerder, ook al niet op losse grond, geponeerde stelling dat het 's nachts stelselmatig minder waait dan overdag is weer schitterend door nieuwe waarnemingen bevestigd. Regelmatig was er, tot vlak voor zonsondergang, de angst dat er die nacht door het geklapper van het slappe tentdoek niet veel van slapen zou komen en bleek men de volgende ochtend te kunnen terugzien op een volstrekt windstille nacht vol aardig gerucht van kleine diertjes.

Onbegrijpelijk dat er nog steeds zo velen zijn die de dag-en-nacht ritmiek in de windsterkte ontkennen. Dat er mensen zijn die menen dat alleen de westenwinden wegvallen als de zon ondergaat, maar dat er met wind uit noord of oost niets bijzonders gebeurt. Juist de noordenwind bleek de afgelopen zomer vrijwel nooit tegen het donker bestand. 't Was Franse wind weliswaar, hij woei in een soort Klein Zwitserland ten westen van de zware industrie in het Rhônedal, maar hij was er niet minder om. Overdag suizend als een echte mistral, 's nachts: weg.

Dat was geen mistral, zegt meteoroloog Baltus Zwart, na een korte beschrijving van de belevenissen. “Dat had je tent vast niet gehouden. De mistral is meer een herfst- en winterwind die een sterkte van wel 10 Beaufort kan krijgen. Dat daar in dat dalletje moet een lokale wind geweest zijn die net als de zee- en landwind aan de Nederlandse kust door temperatuurverschillen wordt gedreven. Je ziet vaak dat zo'n wind na zonsondergang de andere kant op gaat waaien. Eigenaardig dat dat niet gebeurde.” Misschien dat die grote stacaravan de tegenwind tegenhield.

Maar overigens bevestigt Zwart de AW-waarneming zonder veel terughoudendheid. En hij kan ook de verklaring geven. De wind die langs het aardoppervlak blaast is om zo te zeggen een uitdrukking van de veel zwaardere luchtverplaatsing op honderden meters hoogte. Overdag is er een sterke uitwisseling met die laag, maar als het aardoppervlak na zonsondergang afkoelt en de convectie stopt, raakt het contact met die hoger luchtlagen min of meer verbroken. In het binnenland zwakt eigenlijk elke wind na zonsondergang af, uit welke hoek hij ook waait.

Er is, zegt Zwart enthousiast, een bepaald soort buiigheid met wind uit het noordwesten die buien aanvoert waartussen het 's nachst volkomen windstil kan blijven. Maar op het moment dat de bui passeert wordt het contact met de hogere luchtlagen hersteld en komt de wind van overdag weer terug.

Nu, in Klein Zwitserland deed zich dat fenomeen niet voor, al was er aan buien geen gebrek. Wel leverde de gestage afwisseling van natte en opvallend korte droge periodes een waarneming op die tot dan eigenlijk alleen onbewust was gedaan: er zit een vast patroon in de grootte van de druppels die buien loslaten. Zonder nou te beweren dat het een ijzeren wet is heeft het er veel van dat de meeste buien aan hun voorkant vooral verspreide zware druppels laten vallen en een hoge concentratie fijne druppels bewaren voor hun staart. Niemand die daar makkelijker van overtuigd raakt dan de kampeerder die, achterover op zijn slaapzak in zijn tent, ligt te luisteren naar het wegstervend zacht getikkel van de laatste bui en prompt daarop alweer de zware petsen van de volgende bui op het nylon hoort.

“Dat van die zware druppels kan ik absoluut bevestigen”, zegt KNMI-voorlichter Harry Geurts. “Ik let er zelf ook altijd op. Je kunt het ook op de grond zien als er een bui losbarst nadat het een tijdje droog is geweest.”

Maar nu de duiding. Daar blijkt meteoroloog Herman Wessels weinig moeite meer te hebben. Er zijn twee heel eenvoudige mechanismen die een rol kunnen spelen. In de eerste plaats is de overlevingskans van fijne regendruppeltjes in droge lucht geringer dan die van grote druppels. En vóór een wolk zijn water loslaat is de luchtkolom eronder droger dan daarna.

De eerste fijne druppels verdampen voor ze de grond bereiken. En dan komt er nog het simpele feit bij dat grote druppels sneller vallen dan kleine. De een misschien 3 meter per seconde, de ander 1 meter per seconde.

Bij een valhoogte van duizend meter kan zo een fors sorteringseffect optreden.

“Ik kan er nog wel een derde verklaring aan toevoegen”, roept Baltus Zwart. “Als een bui ter plekke leegregent moet-ie natuurlijk wel eindigen met fijne druppels. Op is op: op het laatst is er geen water meer om vallende druppels te vormen. Ik zie hier in Flevoland regelmatig buien die zich in een half uur helemaal leegregenen.”