Sri Lanka: ruim 16.000 mensen 'verdwenen'

NEW DELHI, 6 SEPT. In Sri Lanka is er opschudding ontstaan over de duistere omstandigheden waaronder aan het einde van de jaren tachtig bij het neerslaan van een bloedige opstand van linkse jongeren in het zuiden van het land duizenden mensen spoorloos zijn 'verdwenen'.

Een drietal commissies, dat in 1994 door president Chandrika Kumaratunga was ingesteld na haar aantreden, rapporteerde gisteren dat er sterke aanwijzingen zijn dat er tussen 1988 en 1990 ten minste 16.742 mensen zijn 'verdwenen'. De meesten van hen zouden zonder enige vorm van proces zijn gedood, soms na zware martelingen. De regering overweegt nu regeringsfunctionarissen, die destijds een rol speelden bij de verdwijningen gerechtelijk te laten vervolgen.

De zaak heeft echter ook een politieke lading. De partij die tussen 1977 en 1994 aan het bewind was, de Verenigde Nationale Partij (UNP), zit nu in de oppositiebanken en de kwestie vormt een ideale manier voor Kumaratunga om de UNP zwart te maken.

Gisteren kreeg Sri Lanka daarvan een voorproefje, toen UNP-leider en oud-premier Ranil Wickremesinghe zich tijdens een hoorzitting moest verdedigen tegen beschuldigingen dat hij in die bewuste tijd verschillende malen een complex ten zuiden van de hoofdstad Colombo had bezocht. Daar zouden destijds veel opgepakte sympathisanten van het Volksbevrijdingsfront (JVP) naar toe zijn gebracht en na martelingen gedood. De UNP-leider gaf toe er op bezoek te zijn geweest maar zei niets te weten van enige martelingen aldaar.

De JVP, een organisatie van militante linkse jongeren, had voor het eerst van zich doen spreken in de jaren zeventig. Ook toen was de beweging echter met harde hand onderdrukt. Eind jaren tachtig was ze op volle kracht terug, dankbaar puttend uit een groeiend reservoir van goed opgeleide, maar werkloze jongeren. De JVP begon toen een bloedige campagne tegen de regering, waarbij in totaal enkele honderden regeringsfunctionarissen werden gedood.

In antwoord op dit geweld gaf de regering van de toenmalige president Ranasinghe Premadasa de vrije hand aan doodseskaders, die iedereen die ook maar vagelijk werd verdacht van sympathie voor de JVP oppakten en in veel gevallen ook doodden. Ook veel mensen die niets met de JVP hadden te maken maar wel oppositie tegen de regering voerden, verdwenen in deze periode van het toneel. Een van de slachtoffers van deze periode van terreur was de echtgenoot van president Kumaratunga, Vijaya Kumaratunga, die in 1988 werd doodgeschoten.

Tot op de dag van vandaag worden er in het zuiden van Sri Lanka nog nieuwe massagraven ontdekt van slachtoffers van de terreur.

Mensenrechtenorganisaties schatten dat er tussen 1988 en 1990 60.000 mensen zijn gedood of verdwenen.