Promovendi op maat; 'Training grants' verdienen voorkeur boven toponderzoeksscholen

Onder de titel 'Potemkin in Academia' waarschuwde Hidde Ploegh op 22 februari in deze bijlage voor de 'misère' die de invoering van de top-onderzoeksschool met zich mee brengt. Ploegh doet nu aanbevelingen om aan de invoering van de top-onderzoeksschool te ontkomen.

DE BESTE GARANTIE voor een goede opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker bestaat uit rechtstreeks contact met goede onderzoekers die op hun beurt weer profijt hebben van een concentratie van talent. Een top-onderzoeksschool, verspreid over Rotterdam, Utrecht, Leiden en Amsterdam is dan ook niet meer dan een politieke constructie met als hoofddoel het binnenslepen van een miljoenenbuit. Ton van Raan had het bij het rechte eind toen hij op deze pagina (W&O, 26/4) aandacht vroeg voor de soms wat kleinere, maar wereldvermaarde groepen die, min of meer zelfstandig opererend, werkelijk school hebben gemaakt, en die onder de nieuwe voorstellen naar de periferie zouden verdwijnen.

Het zijn, tot op zekere hoogte, de vrije-marktmechanismen van het wetenschappelijk bedrijf die tot dergelijke concentraties leiden. Nooit zal men evenwel de constructie zien, zoals in Nederland, dat een 'graduate school' wordt gevestigd in meer universiteiten tegelijk. De verdeling van de beperkte financiële middelen die de overheid ter beschikking stelt van het fundamentele onderzoek zou uitsluitend moeten geschieden op grond van kwaliteitscriteria, door middel van 'peer review' en niet, zoals nu dreigt te gebeuren, langs universitair-politieke hoogtelijnen.

Graag wil ik hier een aantal suggesties doen, die leiden tot harmonisatie met wat ook elders een effectief model is gebleken. Ten eerste: synchroniseer een 4-jarige eerste fase zo dat de eindstreep voor iedereen op hetzelfde moment in het kalenderjaar valt. Studenten die het vereiste tempo niet kunnen bijbenen kan men tegemoet komen door de minimum-eisen voor afstuderen zo te stellen dat een van te voren vast te stellen percentage studenten de eindstreep haalt in vier jaar, en het rest-percentage in vijf jaar, dan wel in het geheel niet. De in onderzoek geïnteresseerde student besluit de eerste fase met een vakken- en cijferlijst die hem of haar kwalificeert voor toegang tot de tweede fase, de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker (graduate school). Deze synchrone uitstroom levert voor de maatschappij (bedrijfsleven, overheid) geen enkel nadeel op.

STAMMENSTRIJD

De selectiecriteria voor de tweede fase blijven aanleiding voor de stammenstrijd over de top-scholen. Opleiding en onderzoek zijn ten nauwste met elkaar verbonden, dat is een punt waarover de meeste partijen het eens zijn.

Indien promovendi de vrije keus hadden, zouden ze kiezen voor het meest opwindende onderzoek dat hun de beste garantie biedt voor aansluiting bij de internationale top. Maar doordat de promotieplaats doorgaans is gebonden aan een bepaald project wordt het al gauw contractarbeid, waarbij de promovendus onderzoek uitvoert, omdat het geld nu eenmaal voor dat project beschikbaar werd gesteld. Maar geld, voor bepaalde onderzoeksobjecten, levert vrijwel nooit werkelijk innovatief onderzoek op. Te weinig beseft men hoe klemmend dit keurslijf kan zijn: onze beste studenten zijn het die nieuwe vakgebieden kunnen ontsluiten, door hun gebrek aan vooroordelen, door hun enthousiasme en in zekere zin roekeloosheid. Ze hebben meer tijd, en niet gehinderd door vooroordelen of een teveel aan kennis beginnen ze aan projecten met soms opmerkelijke resultaten. Nu dreigt dit talent ondergeschikt te worden gemaakt aan een of andere dwaze witte-plekkenvisie of 'aandachtsgebied'.

De opleiding van promovendi zou moeten worden gefinancierd met behulp van 'training grants', die bepaalde laboratoria, instituten of andere onderzoeksinstellingen in staat stellen tot het opleiden van een cohort promovendi op een locatie. De kwaliteit van het voorgestelde programma, de omvang en 'track-record' van het onderzoeksinstituut bepalen de capaciteit en de toewijzing - via peer review - van het aantal plaatsen in zo'n training grant. Een groot centrum voor genetisch onderzoek als Rotterdam, of een instelling als het Nederlands Kankerinstituut zou jaarlijks, zonder probleem, een tiental of meer promovendi kunnen laten instromen. Het is belangrijk dat de instroom synchroon verloopt, zodat een precieze begindatum vaststaat. Dit is essentieel, omdat het de promovendi in staat stelt de verschillende programma's met elkaar te vergelijken alvorens een keuze te maken. Deze keuze wordt bepaald door de kwaliteit van het gebodene en beperkt door de eigen kwalificaties. Doordat de eerste fase voor iedere aankomende promovendus synchroon wordt besloten, kan ook iedere promovendus op eenzelfde tijdstip zijn opleiding aanvangen. Dit leidt tot een nationale competitie tussen opleiders voor promovendi, en tussen promovendi voor opleidingsplaatsen. De selectieprocedure kan dan worden gestroomlijnd.

Zelfs is er niets op tegen de Graduate Record Examination, in de Engelse versie, of desnoods vertaald, ook voor Nederlandse promovendi verplicht te stellen. De promovendi die over een uitnemende cijferlijst en sterke aanbevelingsbrieven beschikken, zullen overal aan de bak kunnen. Hun keuze wordt bepaald door de mate van vrijheid en de kwaliteit van het cursuspakket die ze in hun opleiding tegemoet kunnen zien.

Men zal tegenwerpen dat dit voorstel veel (extra?) geld kost, maar dit hoeft niet. Een deel van de middelen die nu aan de laboratoria toevloeien via de eerste (wellicht ook tweede) geldstroom wordt omgezet in training grants, die de opleiding tot onderzoeker tot doel hebben en niet noodzakelijkerwijs onderzoek naar een bepaald (deel) probleem. Dit laat de promovendus en de begeleider de maximale vrije keus bij het vaststellen van een onderwerp voor promotie-onderzoek. Door het ontkoppelen van de financiering voor opleiding en het project dat zal worden bestudeerd, is de bereidheid grensverleggend onderzoek te doen wellicht groter. De middelen die nu voor de 'topscholen' beschikbaar zijn, zou men goed kunnen gebruiken voor de financiering van training grants. De tweede en derde geldstroom zouden zich meer kunnen toeleggen op project-gebonden financiering, bijvoorbeeld door het inhuren van post-docs (gepromoveerden), zoals dat nu ook al gebeurt.

Hoe verschilt het bovenstaande van de top-onderzoeksschool of van de onderzoeksschool oude stijl? Ten eerste, er hoeft niet langer een willekeurig aantal van dergelijke training grants te worden gehanteerd, zoals nu gebeurt voor de toponderzoeksscholen. Omdat de gemiddelde kosten per opleidingsplaats geschat kunnen worden, kan nu al worden berekend hoeveel promotieplaatsen via training-grants kunnen worden gecreëerd door conversie van het gehele top-schoolbudget, los van eventuele verdere overheveling uit de eerste geldstroom.

Ten tweede, bij het verstrekken van training grants kan worden gekeken naar de kwaliteit van het voorgestelde opleidingsprogramma (voor de meeste onderzoeksscholen is dit opleidingsprogramma in de embryonale ontwikkeling blijven steken), waarbij een beperkte omvang - aantal promotieplaatsen - niet direct synoniem is met verminderde levensvatbaarheid. Het geld dat nu van Zoetermeer naar de universiteiten vloeit, wordt gesplitst in middelen voor eerste-fase-onderwijs, en tweede-fase-onderwijs. De middelen voor de tweede fase moeten in hun geheel via peer review worden toegewezen, waarbij de Vereniging voor Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) elke invloed wordt ontzegd. Met een dergelijk systeem kunnen de universiteiten zich meer een eigen gezicht verwerven. Aantrekken van talent met financiële prikkels, wegkopen van concurrenten, het concentreren op die gebieden waar kracht aanwezig is, dit alles verdient gestimuleerd te worden. Voor sommige instellingen van hoger onderwijs zouden de beroepsopleidingen een zwaarder accent krijgen dan nu het geval is, terwijl voor andere instellingen een uitbouw van de opleiding tot onderzoeker mogelijk wordt.

KWALITEIT

Maakt dit de universiteit tot een omgeving waar geen onderzoek meer kan worden verricht? Geenszins! In ruil voor het recht om van laboratorium of andere werkruimte gebruik te maken ten behoeve van fundamenteel onderzoek, verlangt de universiteit een bijdrage aan het eerste-fase-onderwijs. Wil een bepaalde faculteit of groep onderzoekers meer faciliteiten voor onderzoek, bijvoorbeeld door het verwerven van een training grant, dan staan daar verplichtingen tegenover. Een systeem van training grants doet recht aan de kleinere enclaves van onbesproken kwaliteit. Bovendien, het loskoppelen van onderzoeksthema's en opleidingscomponent kan een heilzaam effect hebben op werkelijk grensverleggend onderzoek. Een student geschiedenis of letteren die zich in de paleografie wil bekwamen, zou daarvoor in Leiden terecht moeten kunnen, en een training grant die voorziet in de opleiding van twee, wellicht meer, promovendi stelt die student daartoe in staat, zonder dat de Leidse paleografen zich in een (top)onderzoeksschoolse knoop hoeven te draaien.

Voorwaarde tot slagen van een dergelijk voorstel is de kwaliteit van de beoordelingsprocedures. Training grants zouden aan dezelfde eisen van kwaliteit moeten worden onderworpen, en in een vergelijkbare procedure, als voorstellen voor onderzoeksprojecten. NWO beschikt daarvoor over de instrumenten, desnoods aangevuld met beoordeling door buitenlandse experts.

Bij die beoordeling moet de kwaliteit van de opleiding centraal staan. Wie niet aantoonbaar over de wetenschappelijke (publicaties; verwerving fondsen tweede/derde geldstroom, enz.) kwalificaties of didactische vaardigheden (beoordeling door studenten, collega's) beschikt, valt uit de boot. De serieuzere aanpak van het anderwijs aan promovendi legt een grotere last op de schouders van de Nederlandse hoogleraar, maar die lijkt me op dit moment niet al te zeer gebukt te gaan onder overmatige onderwijsbelasting.Indien bovenstaande suggesties verder worden uitgewerkt, zou men tot de slotsom komen dat de diversiteit aan training grants een aantrekkelijke tegenhanger kan zijn van het beperkte aantal zeer kunstmatig geconstrueerde toponderzoeksscholen.

Een systeem van training grants zou het mogelijk maken zich kosten-neutraal en zonder politiek gezichtsverlies te ontworstelen aan het drijfzand van de onderzoeksschool-misère. Er is nog geen spade in de grond, het kan nog.