Op het randje; Walvisvaart werpt nieuw licht op zeeijs

ER ZIJN AANWIJZINGEN dat de hoeveelheid zomer-zeeijs rond de Zuidpool tussen 1955 en 1970 abrupt met ongeveer een kwart is teruggelopen. Het blijkt uit een analyse van de posities van walvisschepen in de periode 1930-1987. Na 1970 wisten de walvisvaarders aanzienlijk zuidelijker (hogere) breedten te bereiken dan voor 1955 (Nature, 4 september).

In de rapporten van het Intergovernmental Panel on Climate Change wordt het aannemelijk geacht dat een versterkt broeikaseffect - als zich dat zou bestaan - op den duur het zeeijs rond de polen niet ongemoeid zou laten. Maar uit directe waarnemingen is tot op heden geen duidelijke trend af te leiden. Sinds eind 1972, toen de Nimbus-5 zijn microgolf-waarnemingen begon, zijn er satellietgegevens, maar die hebben voornamelijk een grote variabiliteit aangetoond. Lokaal is wel een gestage teruggang gesignaleerd en een vergelijking met verspreide vooroorlogse ijswaarnemingen wekt eveneens de indruk dat het zomerzeeijs tegenwoordig minder uitgestrekt is, maar het beeld is zo onvolledig dat nog geen conclusies mogelijk zijn.

De Australische onderzoeker De la Mare heeft nu belangrijke gegevensontdekt die tot nu over het hoofd waren gezien: de geregistreerde posities van de fabrieksschepen die de walvisjagers in de wateren rond de Zuidpool begeleidden.De walvisvaart rond de Zuidpool, begonnen in 1904, bleek zo'n commercieel succes dat er in 1930 al 31 fabrieksschepen en 232 jagers actief waren.

Omstreeks die tijd werd duidelijk dat overbejaging dreigde en in 1931 werden internationale regels van kracht die het gevaar moesten afwenden. Vanaf dat jaar worden alle walvisvangsten centraal geregistreerd door het Bureau of International Whaling Statistics in Noorwegen. Per geschoten walvis wordt de soort, de vangstdatum en de middagpositie van het bijbehorende fabrieksschip in een bestand opgeslagen. Er zijn nu ruim anderhalf miljoen van zulke waarnemingen.

De la Mare wist dat de meeste bejaagde walvissoorten zich dicht bij de rand van het zeeijs ophielden omdat daar in de lokale zomer (tussen oktober en april) de grootste concentratie krill was. De walvisvloot trok met het zich terugtrekkende zeeijs mee richting Zuidpool naarmate de zomer vorderde. Omdat ook het fabrieksschip, zoals uit diverse opgaven bleek, vaak dicht tegen het zeeijs positie koos, zou uit de zuidelijkste geregistreerde posities van die schepen voor elke willekeurige periode (De la Mare kiest periodes van 10 dagen) ruwweg de ligging van de rand van het zeeijs zijn af te leiden. De la Mare heeft dat rekenwerk verricht: per vangstseizoen, voor 36 meridionale sectoren (dus elk 10 lengtegraden breed).

Uit de waarnemingen berekent hij met wat statistische bewerking voor elk zomerseizoen de gemiddelde ligging van de rand van het zeeijs. In de periode 1931-1954 is dat ongeveer 61,5 graden zuiderbreedte, tussen 1973 en 1987 ongeveer 64,3 graden, een verschil van 2,8 graad (dat is 310 kilometer). De oppervlakte zomerzeeijs blijkt met ongeveer 25 procent ingekrompen.

De reeks waarnemingen tussen 1930 en 1987 (toen het moratorium op commerciële walvisvaart van kracht werd) is niet continu: er zit een gat tussen 1940 en 1946 en een veel pijnlijker gat tussen 1960 en 1973 toen na het instorten van de populaties gewone en blauwe vinvissen en bultruggen voornamelijk op noordse vinvissen is gejaagd. Die blijken zich niet of niet voldoende langs de rand van het ijs op te houden. Na 1973 bejaagt men vrijwel uitsluitend dwergvinvissen die dat kennelijk weer wèl doen.

Voor de periode 1973 tot 1987 heeft De la Mare de juistheid van zijn bevindingen kunnen verifiëren aan de hand van satellietwaarnemingen die een resolutie hebben van 30 tot 100 kilometer. Voor de - korte - periode 1932 en 1939 bleek een vergelijk mogelijk met een systematisch onderzoek naar de uitgestrektheid van pakijs. Er bleek een verschil van 65 kilometer op te treden dat De la Mare toeschrijft aan de definitie van 'dicht pakijs': ijs met een bedekkingsgraad van meer dan 80 procent. De 'rand' van het zeeijs is niet goed gedefinieerd, want de overgang tussen open water en gesloten ijs verloopt geleidelijk. Gewoonlijk wordt de rand geplaatst in de zone waar de ijsbedekking ongeveer 30 procent is, maar afhankelijk van de definitie - 10, 30 of 80 procent - kan de grens waarschijnlijk wel 100 kilometer anders uitvallen.

De berekeningen voor de cruciale periode 1946-1960 heeft De la Mare niet kunnen toetsen. Dat is des te pijnlijker omdat ná die periode niet alleen de prooi maar ook de jager is veranderd. Tot ver in de jaren vijftig werd de walvisvaart rond de Zuidpool gedomineerd door Britten en Noren, na 1962 is er een uitgesproken dominantie van Russen en Japanners. Het valt niet uit te sluiten dat die wat roekelozer het ijs in gingen, zeker als ze na verloop van tijd ook zelf de beschikking kregen over de satellietfoto's en andere ijsgegevens.

Op het rekenwerk van De la Mare lijkt dus wel wat af te dingen. Ook zegt het niets over het winter-zeeijs dat een vier tot vijfmaal grotere uitgestrektheid heeft dan het zomerijs. Toch tornen onderzoekers van de British Antarctic Survey in een begeleidend commentaar in Nature niet aan de resultaten. Wel vinden ze het te vroeg om het zomer-ijsverlies aan het broeikaseffect toe te schrijven; het kan ook natuurlijke variabiliteit zijn.

Als het zomer-zeeijs zich inderdaad begint terug te trekken, kan dat snel vèrgaande consequenties hebben omdat het ijsverlies lokaal een positieve terugkoppeling opwekt. Zeeijs weerkaatst veel zonnewarmte (zeker als er sneeuw op ligt) en dekt de relatief warme oceaan als een deken af. Luchttemperatuur en luchtvochtigheid kunnen gaan stijgen, neerslag en wind kunnen gaan toenemen.Tot nu toe is daarvan niets gebleken.