MOEDER TERESA (1910-1997); Een twintigste-eeuwse heilige

NEW DELHI, 6 SEPT. Moeder Teresa was al lang voor haar dood, gisteren, uitgegroeid tot een legende. In een eeuw van mondialisering zette de van oorsprong Albanese non met haar hulpverlening aan de allerarmsten in de sloppenwijken van Calcutta op eigentijdse wijze de traditie voort van Middeleeuwse heiligen in Europa en Florence Nightingale op de Krim in de vorige eeuw.

Tienduizenden straatarme leprozen, verminkten en andere hulpbehoevenden in Calcutta en elders zouden zonder de ranke maar onverzettelijke non door de jaren heen een ellendige en eenzame dood zijn gestorven in een vieze steeg.

Moeder Teresa en haar Zusters van Barmhartigheid brachten de zieken en stervenden naar hun tehuizen en wasten en verzorgden hen. Velen bezweken alsnog maar niet zonder althans nog enige liefde te hebben genoten.

Moeder Teresa kon desondanks allerminst op universele bijval rekenen. Veel progressieven in het Westen ergerden zich aan haar felle kritiek op abortus, door haar steevast omschreven als “de grootste bedreiging van de wereldvrede”. Ze betichtten haar bovendien van hypocrisie: door zich wel voor de armsten in te zetten maar niets te doen tegen de oorzaken van armoede zou ze slechts de ellende helpen bestendigen. Moeder Teresa zelf beschouwde dit altijd als een miskenning van haar werk. Ze was immers geen sociaal werker.

Anderen stoorden zich aan haar drijfveren. Moeder Teresa maakte er nooit een geheim van dat ze de armen niet in de eerste plaats hielp opdat die daar beter van zouden worden, maar om hen zo dichter bij God te brengen. Armoede was in haar ogen niet iets dat zo snel mogelijk uit de wereld moest worden geholpen, maar vooral een door God geboden kans om nader tot Hem te komen. Dat het opperwezen de armsten in dit scenario slechts als jammerlijke figuranten liet opdraven, leek Moeder Teresa niet te deren.

Agnes Gonxha Bojaxhiu werd in 1910 geboren in Skopje, destijds behorend tot het Ottomaanse rijk, nu de hoofdstad van Macedonië. Haar ouders hoorden tot de Albanese minderheid. Al vroeg wilde ze non worden. Als achttienjarig meisje sloot ze zich met steun van haar eveneens diepgelovige moeder aan bij de Loreto Missie en na een kort verblijf in Ierland, waar deze orde haar hoofdkwartier hield, zette ze koers richting Brits-Indië. Op 29 januari 1929 kwam ze aan in Calcutta, de stad waarmee haar verdere leven zo sterk verweven zou raken.

Vooralsnog stuurde de orde Agnes echter voor verdere training naar het temidden van theeplantages gelegen Darjeeling, in de Himalaya ten noorden van Calcutta. Na afsluiting daarvan in 1931 werd de jonge non, die intussen de naam Teresa had aangenomen, lerares aardrijkskunde aan het Loreto-klooster in Calcutta. Dertien jaar later werd ze hoofd van een school voor arme weeskinderen in hetzelfde complex. Ze gaf les in het Bengaals, dat ze intussen vloeiend beheerste.

Toen volgde er, zoals het een echte heilige betaamt, een nieuwe roeping.

Tijdens een treinreis naar Darjeeling, in september 1946, werd het zuster Teresa plotseling als bij toverslag duidelijk dat ze haar relatief comfortabele bestaan in het Loreto-klooster moest verruilen voor hulpverlening aan de allerarmsten in de sloppenwijken van Calcutta.

Bijna twee jaar later verleende het Vaticaan haar toestemming om een eigen, nieuwe orde op te richten. Gehuld in een eenvoudige witte sari met een blauwe rand en een kruisje op de rug togen Teresa en enkele anderen aan het werk. De Zusters van Barmhartigheid legden allen de gelofte af zich volledig in dienst van God te stellen, kuis te zijn, zelf in volstrekte eenvoud te leven en toegewijd voor de armsten te zorgen.

In Calcutta oogstte haar werk al spoedig lof. Af en toe gaven zelfs bedelaars hun bescheiden inkomsten van een dag aan haar orde. Teresa zelf onderstreepte altijd dat zo'n gift haar meer waard was dan al het geld in de wereld. In de loop der jaren ontwikkelde Moeder Teresa bovendien een uitstekende verstandhouding met de communistische machthebbers in de deelstaat West-Bengalen, waartoe Calcutta behoort.

Na enkele jaren begon het werk van Teresa en haar orde ook de aandacht van mensen buiten Calcutta te trekken. In 1962 kreeg ze een hoge Indiase onderscheiding, die nooit eerder aan een niet in India geboren persoon was toegekend. Een lange reeks prijzen en onderscheidingen volgde, waarvan de belangrijkste de Nobelprijs voor de Vrede was in 1979.

Naarmate haar faam toenam, vonden steeds meer hogen der aarde, voorop haar eigen chef, de paus in Rome, het nodig om haar uit te nodigen en met de frêle non, symbool van liefdadigheid in een boze wereld, op de foto te gaan dan wel voor de tv-camera's te verschijnen. Moeder Teresa ontwikkelde zich zo - onbedoeld - tot een mediaster van de eerste orde, die al jet-settend door de wereld trok en intussen vaardig bleef zorgen voor een aanhoudende stroom nieuwe fondsen voor haar Zusters.

Kieskeurig was de inmiddels hoogbejaarde non daarbij niet. Zo schudde ze onder andere de met bloed besmeurde hand van de Haïtiaanse dictator Baby Doc Duvalier en legde ze bloemen op het graf van de vroegere Albanese communistische dictator Enver Hoxha, die de dood van duizenden onschuldige burgers op zijn geweten had.

Haar werkterrein breidde zich intussen gestaag uit. Behalve verzorging van zieke en stervende daklozen, zette haar orde ook opvanghuizen voor lepra-patiënten op en scholen voor arme kinderen in Calcutta, andere Indiase steden en na verloop van tijd zelfs in veel andere landen. De laatste jaren probeerde ze tevens Aids-patiënten te helpen. De Orde van Barmhartigheid telde toen al enige duizenden zusters en ook enkele honderden broeders, verspreid over kloosters in de hele wereld.

Wel bevreemdde het sommigen dat de faciliteiten in de tehuizen van de orde meestal, naar Westerse maatstaven, primitief bleven. Kon er met zoveel geld achter de hand althans niet een wat professioneler ziekenhuis voor de armsten in Calcutta van af? Anderen beschuldigden Moeder Teresa ervan een relatief groot deel van het geld te besteden aan kloosters in Latijns-Amerika.

Tot vreugde van paus Johannes Paulus II - die gisteravond liet weten “diep bedroefd” te zijn door het bericht van de dood van zijn “goede vriendin” - schaarde Moeder Teresa, inmiddels een van de boegbeelden van de katholieke kerk, zich onvoorwaardelijk achter zijn conservatieve leer. Tijdens spreekbeurten in de hele wereld hamerde ze steeds weer op het onvergeeflijke kwaad van abortus. Ook voorbehoedmiddelen wees ze categorisch af, tot woede van velen die vonden dat juist overbevolking een belangrijke factor was bij de armoede in ontwikkelingslanden.

Moeder Teresa bleef immuun voor zulke kritiek. De enige norm die voor haar gold was die van haar diepe geloof in God. “Wij werken niet voor roem of voor geld”, zei ze vaak. “Wij werken voor God.” Onvermoeibaar bleef ze zo haar werk op dezelfde voet voortzetten, ook al nam haar actieradius de laatste jaren iets af door haar zwakker wordende gestel. Als ze al eens in het ziekenhuis belandde, probeerde ze daar echter meestal weer sneller uit te komen dan haar gezondheidstoestand toeliet, want er was nog zoveel te doen.

Jarenlang werkte ze twintig uur per dag.

Over haar eigen gevoelens liet Moeder Teresa meestal niet veel los. Gevraagd of ze tijdens haar lange leven temidden van zoveel leed veel geluk had gekend, verklaarde ze enkele jaren geleden: “Het geluk dat niemand me af kan nemen. Ik heb nooit twijfel gekend of me ongelukkig gevoeld.”