Mediacode

“PUBLISH AND BE DAMNED”, zei naar verluid de Hertog van Wellington toen een van zijn intimi aankondigde bepaalde details te publiceren. De moderne pers vat het dictum van de IJzeren Hertog graag op als geuzennaam, maar huivert onwillekeurig bij de letterlijke implicatie. De oude spreuk heeft deze week zijn kracht weer eens bewezen. De tragische dood van Diana, prinses van Wales, heeft een golf van publieke verontwaardiging over de media ontketend.

Het achtervolgingsgedrag van de Parijse paparazzi geeft daartoe zeker aanleiding. Maar hun jachtdrift valt niet los te zien van de astronomische bedragen die worden neergeteld voor indiscrete foto's van beroemdheden. En die bedragen worden op hun beurt ingegeven door de omstandigheid dat “beroemdheid verkoopt” zoals dat heet in de media-business.

De conclusie is onontkoombaar dat menigeen die de schuld van de dood van Diana aan de media gaf, zelf afnemer is van de gewraakte mediaproducten. In reactie op alle commotie merkte een Duitse mediaproducent dan ook nuchter op dat “het oordeel over de boulevardpers wordt gegeven aan de kiosk”. Hier geldt inderdaad dat wie de wereld wil verbeteren een mooie gelegenheid heeft met zichzelf te beginnen. Dat gaat overigens ook op voor de beroemdheden zelf, die de media net zo hard gebruiken om hun imago te versterken als dat zij zich er tegen verzetten.

TOCH IS HET te makkelijk het probleem van inbreuken door de media in de persoonlijke levenssfeer af te doen met de opmerking dat mensen er zelf om vragen. Tussen de paparazzo met zijn telelens en de grote oplage van een pulpblad staat niet een robot, maar redacties die aan de lopende band keuzes maken en beslissingen nemen. Wie zich op de vrijheid van informatie beroept, behoort zelf geen vraag, hoe lastig ook, uit de weg te gaan. Dat geldt ook voor een betrekkelijk rustig land als Nederland, dat zijn koninklijk huis bewegingsvrijheid gunt, maar inmiddels wel heeft kennisgemaakt met verschijnselen als reality tv.

De rechter dient de grenzen van “ieders verantwoordelijkheid voor de wet”, zoals de Grondwet de klassieke beperking van de persvrijheid omschrijft, strak te trekken. De informatievrijheid is niet bedoeld voor opvattingen die brede instemming kunnen verwachten, maar juist voor de controversiële uiting. Dat ontslaat de media niet van de verplichting tot zelfcontrole. De reflex van staatssecretaris Nuis (mediazaken) op de gebeurtenissen van deze week was dan ook voorspelbaar. Hij herhaalde zijn oproep om tot een journalistieke gedragscode te komen.

Die is er al. Het Genootschap van Hoofdredacteuren heeft in 1995 een handzame gedragscode van zeven artikelen aangenomen die naar men mag aannemen de state of the art vertolkt. Maar wat wil de bewindsman eigenlijk? De Nederlandse media erkennen sinds jaar en dag de internationale Code van Bordeaux (1954). Deze bevat de stelregel dat nieuwsgaring zich alleen mag bedienen van “eerlijke middelen”. Voorop staat echter het beginsel van “respect voor de waarheid”. En, zoals de Amerikaanse auteur Gore Vidal een personage in een van zijn politieke romans deed opmerken, “goede smaak is de vijand van de waarheid”.

DE ETHIEK VAN

de mediaberichtgeving is te ingewikkeld om over te laten aan een code waar ieder het zijne uit kan halen. Zij moet van geval tot geval worden bevochten in een vaak moeizame afweging. Nederland kent daarvoor sinds jaar en dag een Raad voor de Journalistiek die tegenwoordig ook algemene aanbevelingen kan doen - bijvoorbeeld over het gebruik van gelekte informatie of van verborgen camera's.

Het aantal klachten bij de Raad is bescheiden qua omvang en qua aard. Maar zij helpt wél het ethisch midden van de berichtgeving te bepalen - en daarmee moeten ook de meer avontuurlijke media rekening houden. Het gevaar van formele codes is niet alleen dat zij onvoldoende precisie hebben maar ook dat zij een alibi vormen om relevante informatie af te schermen. Daarover rept Nuis niet. Toch geeft bijvoorbeeld de recente “handreiking” van het kabinet voor politie en hulpdiensten over de omgang met reality tv daartoe alle aanleiding.