Kortzichtig

IN DE JAREN zeventig kwamen de bedrijfsopleidingen te liggen onder het vuur van progressief Nederland. Jongeren werden daar, zo luidde de kritiek in termen van de mode van toen, gekneed tot willig werktuig van het grootkapitaal. De slachtoffers diende genoegdoening te worden verschaft in de vorm van ten minste het minimumloon.

En zo geschiedde.

Daarmee werden de bedrijfsopleidingen erg kostbaar en toen even later het economisch tij begon te keren, werden ze de een na de ander gesloten. Nu komt uit dezelfde kringen die toen die opleidingen de nek omdraaiden het voorstel het bedrijfsleven te laten bijdragen aan de kosten van het beroepsonderwijs. Als de bedrijven niet vrijwillig over de brug komen, wil Wallage ze desnoods daartoe dwingen door hun winsten af te pakken.

Onbegrijpelijk, dom en kortzichtig.

Met evenveel recht kun je stellen dat boeren moeten meebetalen aan het Wageningse onderwijs, kranten aan de School voor de Journalistiek, en dat het midden- en kleinbedrijf de financiering van het MEAO voor zijn rekening dient te nemen. Natuurlijk heeft het bedrijfsleven belang bij goed onderwijs, net zoals iedereen belang heeft bij een goede baan en dus bij een gezond bedrijfsleven. Dat is dan ook de reden waarom het onderwijs zich niet alleen richt op het persoonlijk ontplooien, maar ook voorbereidt op een plaats in de maatschappij. Daarom leer je op school of universiteit een vak of iets anderszins nuttigs waarmee je geacht kunt worden later de kost te verdienen.

De relatie tussen kost en opleiding is de ene keer duidelijker dan de andere.

Heel uitgesproken is die relatie bij bepaalde vormen van beroepsonderwijs waarbij leerlingen worden opgeleid voor werk bij bedrijven in de regio. De leerlingen daar lopen stage bij die bedrijven en zo zie je een duidelijke verwevenheid tussen bedrijfsleven en opleidingen. De stagebegeleiders komen geregeld bij die bedrijven over de vloer en vinden er soms overbodig materiaal of apparatuur dat ze cadeau krijgen.

Sommige scholen speculeren er duidelijk op dat bedrijven dat doen: zij hebben die bijdragen blijkbaar echt nodig.

Het valt natuurlijk alleen maar toe te juichen dat scholen kostenbewust zijn.

Materialen die door bedrijven worden weggegooid, zijn vaak prima geschikt om mee te leren lassen, draaien of timmeren. Dat apparatuur verouderd is, hoeft lang niet altijd een probleem te zijn. Als je met een verouderde auto hebt leren rijden, kun je het in een moderne zeker. Maar die vlieger gaat niet altijd op. Sommige opleidingen sluiten, als gevolg van de verouderde apparatuur, onvoldoende aan bij de praktijk.

Wanneer dit laatste het geval is, klopt er iets niet met de financiering van dat onderwijs. De overheid mag haar verantwoordelijkheid daarvoor niet ontlopen door het bedelen van scholen bij bedrijven tot beleid te verheffen.

Het CDA-Kamerlid Van de Camp wijt het probleem aan een gebrek aan investeringen. Het getuigt van werkelijkheidszin dat dit lid van de oppositie hiermee ruiterlijk erkent dat het probleem niet iets is van de laatste paar jaar. Het gebrek aan investeringen en de schromelijke verwaarlozing van lagere vormen van beroepsonderwijs kent in Nederland inderdaad een lange, ook christelijke traditie.