Illusie van onkwetsbaarheid

Drie jongens dood doordat ze hun hoofd via een nooduitgang door het dak van een bus staken en tegen een boven de weg hangende balk sloegen. Een afschuwelijk ongeluk.

Toch is het de vraag of de functionaris van het buswezen die daags erna eiste dat dergelijke balken zouden worden verwijderd omdat ze levensgevaarlijk zijn, gelijk had. Als de balk er niet had gehangen waren de jongens niet omgekomen, dat is waar. Maar is een dergelijk ongeluk te voorzien? Als het om verkeersveiligheid gaat, kan men toch alleen risico's wegnemen die bij normaal gebruik gevaar opleveren, zoals gaten in de weg of slecht liggende bochten.

Het hoofd boven het dak van een bus uitsteken is geen doorsnee weggebruik en dus niet te voorzien, zelfs niet voor de leeftijdsgroep die geneigd is tot enig riskant gedrag. Men kan de balken weghalen en de noodluiken van de bus vergrendelen, maar dan openbaart de neiging zich wel op andere wijze. In de berichtgeving werden geen leeftijden genoemd, maar er werd gesproken van “jongens” en aangezien iedereen boven de achttien in de media tegenwoordig meestal als “man” of “vrouw” wordt aangeduid, neem ik aan dat het hier adolescenten betrof. Inderdaad een groep die hetzij in milde, hetzij in extreme vorm van tijd tot tijd roekeloos is.

Het spreekt vanzelf dat in de ontwikkelingspsychologie nogal wat onderzoek is gedaan om te begrijpen waaróm in hemelsnaam. Uit wat bekend is, is echter nog steeds niet duidelijk of jongeren bepaald gedrag niet riskant vinden, of dat ze daar wel weet van hebben, maar het risico juist opzoeken.

In het laatste geval denkt men onder meer aan een biologische bepaalde behoefte aan spanning. Psycholoog Zuckerman heeft in dit verband het begrip sensation seeking geïntroduceerd, dat bij bepaalde mensen sterk ontwikkeld zou zijn, en bij veel jongens rond een jaar of zestien een piek zou bereiken. De spanning zou bepaalde stoffen doen ontstaan waaraan het lichaam in normale doen een zeker tekort heeft. Bovendien zou het zenuwstelsel zodanig werken dat het al snel een eventueel optredende angst dempt.

Het tarten van gevaar zou de spanning leveren waaraan lichamelijk behoefte bestaat.

Anderen zoeken de verklaring niet in het opzoeken van risico's, maar in het onderschatten daarvan. Het blijkt dat adolescenten, bij het beslissen of ze iets zullen doen of laten, andere gevolgen zien, andere dingen van eminent belang vinden en de waarschijnlijkheid van sommige gevolgen anders inschatten dan volwassenen. Voor ouders is het bijvoorbeeld onbegrijpelijk dat hun goed voorgelichte dochter zonder pil of condoom met een jongen naar bed gaat. Maar wat de gevolgen betreft, weegt bij het meisje bijvoorbeeld mee dat haar aanzien op school zal stijgen, omdat hij een populaire jongen is en zij nog steeds aansluiting bij klasgenoten mist. Voor haar ouders die geen weet hebben van haar positie op school, bestaat zo'n gevolg niet. Wat betreft de waardering weegt voor de ouders de dreiging van zwangerschap het zwaarst, voor het meisje de zalige roes van de verliefdheid. En als het gaat om de waarschijnlijkheid van de gevolgen is zwangerschap iets waar zij zich in concreto waarschijnlijk niet echt iets bij voor kan stellen, terwijl de strelende aandacht van de jongen een reële beleving is.

Kenmerkend voor adolescenten is wat wel de “illusie van onkwetsbaarheid” wordt genoemd: een tijdelijk egocentrisch soort optimisme, gebaseerd op het gevoel uniek te zijn - waarbij het laatste overigens ook een goede voedingsbodem is voor het niemand-begrijpt-me-gevoel.

Ze erkennen theoretisch wel dat het gevaarlijk is om achter het stuur te gaan zitten als je te veel gedronken hebt, of dat je niet moet gaan zwemmen in een snel stromende rivier, maar emotioneel is er nogal eens de overtuiging “mij overkomt heus niks”. Dat optimisme zit als een beschermend schild om jongeren heen, want als zij zich werkelijk zouden realiseren welke ellende het leven hun allemaal nog zou kunnen brengen, zou dat een totale psychische verlamming betekenen. Maar voor ouders is het een van de grootste bronnen van angst.

Volgens psycholoog Arnett spelen in het algemeen twee verschijnselen bij het inschatten van de kans op gevaar een rol: representativiteit en beschikbaarheid.

Maar bij jongeren blijken die niet op te gaan. Het eerste betekent dat iemand iets wat zich in dit ene geval afspeelt, afzet tegen wat in vergelijkbare gevallen meestal gebeurt. Doordat een adolescent zich uniek voelt, vindt hij of zij zijn geval echter per definitie niet representatief. Het tweede gaat over het gemak waarmee iemand zich voorbeelden van consequenties kan voorstellen doordat men er weet van heeft. Ook hier zijn adolescenten in het nadeel. Door gebrek aan ervaring weten zij nog weinig wat bepaald riskant gedrag bij anderen daadwerkelijk voor gevolgen heeft gehad. En wat één of twéé anderen is overkomen kan juist, via hetzelfde idee uniek te zijn, het het-zal-mij-niet-gebeuren-gevoel versterken.

In de situatie van zulke anderen zijn altijd aspecten die verschillen van die van de jongere zelf. Die worden uitvergroot: “Ja, maar ik ga nóóit liften in m'n eentje, want dat is natuurlijk hardstikke gevaarlijk en stom, ik doe het alleen maar als ik met iemand anders ben.” En als een adolescent een of twee keer goed is weggekomen uit een riskante situatie wordt hij in zijn gevoel van uniekheid versterkt.

Zelfs als de drie jongens weet zouden hebben gehad van de twee vergelijkbare ongelukken die vorig jaar gebeurden is het zeer de vraag of zij minder roekeloos zouden zijn geweest. “Niet uit de ramen leunen”, lazen wij vroeger in vier talen in de trein - pericoloso sporgersi was het eerste Italiaans dat mij onder ogen kwam - maar toch hingen we soms met wapperende haren naar buiten. En het ging altijd goed. Daarin zit het gevaar. Arnett citeert Winston Churchill: “Nothing in life is so exhilirating as to be shot at without result.”