Hun stemmen, ruig als duingras

Concert: Holland Festival Oude Muziek met Sjah Jo Raag's Fakirs en Paban Das Baul & Ensemble. Gehoord: 3 en 5/9, RASA, Utrecht. Herhaling: Paban Das Baul 7/9 (15u) in RASA.

'He who moves slowly and steadily, will not die' zong Paban Das Baul vrijdag in RASA in het Bengaals. Het is een wijsheid waarvoor in de Nederlandse taal minstens drie bijna-equivalenten bestaan maar geen daarvan is zo absoluut en optimistisch.

De vijf musici van Pabans gezelschap brachten deze wijsheid ook in praktijk; voor een lied neemt men de tijd, er wordt gedanst maar niet uitzinnig, een uur dezelfde grondtoon op één snaar is niet saai, het geeft rust. Het aardigst komt de leider zelf voor de dag, vooral wanneer hij de 'khamak' bespeelt, een trommel met twee snaren waarmee de spanning op het vel kan worden geregeld. Het effect is dat van een Afrikaanse 'talking drum' met dien verstande dat de 'spreker' soms lijkt op een hoogbejaarde bouvier.

Dat mystiek-religieuze muziek niet hoeft te sterven in vroomheid werd ook woensdag bewezen door de uit Pakistan afkomstige Fakirs van Shah Jo Raag. Ze bespelen allemaal een damboor, een vijfsnarige langhalsluit die vagelijk iets weg heeft van de Indiase sitar. De vijf mannen doen zich echter vooral gelden met hun stemmen, ongeschoold en ruig als duingras. De vorm is de beurtzang waarin ze in een volgorde tegen de klok in telkens een paar frasen voordragen in dialoog met leider Quarban Fakir Ali Azad. Hun repertoire is de poëzie van Sjah Abdul Latif, de belangrijkste soefi-heilige en toondichter van zuidelijk Pakistan, die in 1752 overleed.

De Fakirs 'doen' dit ritueel elke islamitische vrijdag bij de tombe van de dichter zelf in het Pakistaanse Sindh, tussen zonsondergang en -opgang. In Utrecht beperken ze zich tot 'slechts' anderhalf uur, maar dat is geen reden tot klagen want het deel na de pauze lijkt sprekend op dat van ervoor.

Opvallend is dat de zangers altijd beginnen met een falsetstem, wat soms leidt tot enig gehoest, en gaandeweg afdalen tot hun 'normale' geluid. Prototypisch is de opbouw van de stukken, van langzaam en gespatieerd tot steeds sneller en heftiger, zoals in bijna alle klassieke muziek uit het voormalige Brits Indië. Aan het eind duikt het verschijnsel 'canon' op met een effect dat doet denken aan de dansende derwisjen uit Turkije die vanavond in Vredenburg gaan doen wat ze ook hier al eerder deden: 'draaien, draaien, altijd maar draaien'. Na het bovenstaande is dat natuurlijk volkomen begrijpelijk: wie zou er niet langzaam en regelmatig willen draaien als dat het eeuwige leven garandeerde?