Goudvisserslatijn

Op de beurs lijkt iedereen financieel expert, handelaar of goudvis met een topsalaris. Wanneer de baas een keer lelijk doet tegen die door god gezonden geldmachines verkassen ze zo naar een andere broodheer. Die conclusie kan je trekken uit hun verhalen vol goudvisserslatijn in de pers.

De werkelijkheid is anders.

De enige, echte handelaar is de man die voor eigen rekening handelt in aandelen, obligaties, opties, termijncontracten en andere vluchtige waren. Die soms met samengeknepen billen wacht op de opening van Wall Street, 's nachts ligt te woelen in bed, pepmiddelen neemt om op de been te blijven en als het moet zijn vrouw bij de bank als onderpand afgeeft. Ondernemer in een keiharde wereld, druppel in een oceaan van geld. Die mannen blijven relatief bescheiden.

Anderen, die in dienst zijn van een bedrijf en spelen met geld van de baas of cliënten over moeten halen om iets te doen op de beurs, noemen zich vaak handelaar, vertellen dikke verhalen en vragen veel geld om hun kunsten te vertonen. Is ook in beursland eenoog koning? Jazeker. Hoe moeilijk is beleggen in het groot, wanneer je niet het onderste uit de kan wilt halen?

U kunt de proef op de som nemen door dit voorbeeld een poosje op papier te volgen. Een vermogen bedraagt 1 miljoen gulden en is afkomstig uit de verkoop van een eigen bedrijf.

Daarop moet vijf jaar lang minimaal een rendement van 10 procent belastingvrij gemaakt worden. Met het eindbedrag van 1,6 miljoen wil de ex-ondernemer in het jaar 2002 een huis bouwen.

Tot die tijd woont hij gratis boven de zaak. Veel risico wil hij niet lopen en de belegging moet weinig aandacht vergen.

We stoppen het geld in vijf aandelen, twee ton per fonds. De voorkeur gaat uit naar fondsen met meerjarige opties: ABN Amro, Aegon, Ahold, Akzo, DSM, Elsevier, Hoogovens, ING, KLM, Koninklijke Olie, KPN, Philips, Unilever. De keus valt op de vijf veel verhandelde fondsen: ABN Amro, ING, Olie, Philips en Unilever. Zo ontstaat een over meerdere sectoren verdeeld geheel, met een accent op financiële waarden.

Gezien de gewenste portefeuille-looptijd van vijf jaar bieden opties die tot 19 oktober 2001 lopen op dit moment de langste mogelijkheden tot bescherming. Wanneer er 20 oktober a.s. vijfjarige 2002-opties in de notering komen, kunnen die desgewenst de 2001's vervangen.

Voor de twee ton per fonds kon donderdag ongeveer het volgende worden gekocht, exclusief kosten. ABN Amro (koers 42,00) 4.761 stuks; ING (93,50) 2.139; Olie (110,00) 1.818; Philips (159,10) 1.257; Unilever (440,30) 454. Op 90 procent van de stukken kopen we put-opties oktober 2001 met deze uitoefenprijzen: 43 opties ABN Amro 42,50 gulden (prijs 9,00); 19 ING 90,00 (14,20); 16 Olie's 110,00 (18,50); 11 Philips 160,00 (33,00); 4 Unilever 430,00 (60,00).

Deze bescherming met 93 puts kost bijna 160.000 gulden of 16 procent van het beschikbare miljoen voor 4 jaar, zo'n 4 procent per jaar; eigenlijk iets meer, omdat je alle premies vooruitbetaalt. Dat gaat van de investering af en dus moet het rendement hoger dan 10 procent uitkomen om de beoogde 1,6 miljoen te halen. Dat is te voorkomen door call-opties op 90 procent van de aandelen te schrijven; te verlenen.

Geschikt zijn deze calls: 43 opties ABN Amro 60,00 gulden (prijs 8,40); 19 ING 135,00 (13,50); 16 Olie's 130,00 (21,30); 11 Philips 200,00 (36,00); 4 Unilever 490,00 (94,00). Het schrijven van deze 93 calls levert belastingvrij 173.0000 gulden op.

Daarmee kan de bescherming van 160.000 gulden betaald worden, plus de aankoop-provisie voor de opties en aandelen.

Ruim quitte dus. Daar staat een nadeel tegenover.

Door het verlenen van calls is de koersstijging van de aandelen beperkt tot de uitoefenprijzen: ABN Amro 60 gulden (koers aandeel 42,00); ING 135 (93,50); Olie 130 (110,00); Philips 200 (159,10); Unilever 490 (440,30).

Deze uitoefenprijzen liggen boven de koersen van donderdag.

Mocht het vóór oktober 2001 voor alle aandelen tot verplichte verkoop komen, dan levert dat een onbelaste koerswinst van circa 253.000 gulden op. Dat is 25,3 procent in 4 jaar (of minder) of 6,3 procent per jaar, onbelast.

Kom je zo aan die beoogde 10 procent per jaar? Waarschijnlijk wel. De houder ontvangt per jaar naar schatting ten minste 2 procent dividend, waarvan 1 procent in onbelaste stockdividenden en 1 procent belast. Tel daarbij de ruim 10 procent aan stukken waar geen calls op zijn geschreven (die hoeven niet verkocht te worden!) plus de waarde van de, na verkoop van de aandelen, overbodige puts die weg kunnen, en je komt ongeveer op 10 procent, in vier jaar tijd. Het rendement kan hoger uitkomen indien na een flinke koersdaling puts met winst worden verkocht en calls worden gesloten, maar dat vraagt deskundige hulp.

In het slechtste geval worden er puts uitgeoefend en aandelen verkocht op de uitoefenprijs.

Verlies circa 10.000 gulden. Na een eventuele verkoop van aandelen, moet de portefeuille aangepast worden.