Eugenetische beweging bleef klein in Nederland

Een socioloog schreef in 1910 over “gezinnen hangend op vreemden steun en krioelend van even waardelooze kinderen.” In Nederland bleef de eugenetica een randverschijnsel.

ROTTERDAM, 6 SEPT. “Nederland heeft nooit een wet gekend die het steriliseren van zwakzinnigen, alcoholisten of criminelen verplicht stelde”, zegt dr. Jan Noordman, historisch pedagoog aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. “Niet zoals in Amerika, Duitsland of, zoals vorige week weer eens bleek, in Zweden.” De Zweedse krant Dagens Nyheter onthulde toen dat de Zweedse overheid vanaf de jaren twintig tot 1975 zo'n 60.000 mensen heeft laten steriliseren om 'raciale' of 'medische' redenen.

Sterilisatie van maatschappelijk 'minderwaardigen' was in veel landen de gewone praktijk. In Duitsland werd in 1933 het Gesetz zur Verhütung erbkranken Nachwuchses van kracht. Daarmee riep de staat een wet in het leven om mensen die leden aan geestelijke afwijkingen, manische depressie, alcoholisme, schizofrenie, erfelijke epilepsie of de ziekte van Huntington verplicht te steriliseren. In totaal 350.000 verloren de mogelijkheid tot voortplanting. Ook in Engeland, Amerika, Zwitserland en Oostenrijk werden sterilisatiewetten afgekondigd.

Het steriliseren van 'minderwaardigen' was een idee uit de koker van de eugenetische beweging die aan het begin van deze eeuw opbloeide. De periode tekende zich door oorlogen, economische malaise en hoge werkeloosheid.

Tuberculose, alcoholisme en geslachtsziekten kwamen veelvuldig voor. Op zoek naar een aanwijsbare oorzaak voor de wanorde deden de wildste speculaties de ronde. De Brit Cyril Burt beweerde dat het aantal zwakzinnigen in Engeland in het eerste kwart van deze eeuw met 33% was toegenomen. Oorlogen stuurden juist de gezonde, jonge mannen de dood in terwijl de zwakkeren, de afgekeurden, achterbleven en zich voortplantten. Ook de rijkeren zouden steeds minder nageslacht krijgen.

Volgens een Victoriaanse theorie bewogen de voedingsstoffen bij minder intelligente mensen zich met name richting geslachtsorganen, bij intelligentere mensen zoog vooral het meer ontwikkeld zenuwstelsel veel energie op. Bij zwakzinnigen veronderstelde de theorie een nog grotere seksuele energie. “Het debiele meisje werd voorgesteld als erotisch fenomeen”, schreef Noordman in zijn proefschrift Om de kwaliteit van het nageslacht; eugenetica in Nederland 1900-1950 (1989). Noordman: “Door dit soort uitspraken ontstond er een soort elitaire angst voor de opkomst van de domme massa. Sommigen hadden echt een diepgegronde haat tegen de vierde stand.

De Nederlandse eugeneticus Luning Prak maakte een vergelijking met ratten op een hooizolder. Hij sprak over paupers met een overerfbare preoccupatie voor seks.''

Tegelijkertijd begon in Amerika en Europa een eugenetische wind te waaien. De erfelijkheidswetten van Mendel werden herontdekt. Francis Galton (1822-1911), de grondlegger van de eugenetica, had net zijn boek Inquiries into human faculty geschreven. Galton, een neef van Charles Darwin, was ervan overtuigd dat geestelijke eigenschappen als intelligentie, ijver en karaktersterkte op erfelijkheid berustten. Hij schreef de om zich heen grijpende degeneratie toe aan een biologische oorzaak en baande daarmee de weg voor een op genetische principes gebaseerde ingreep.

Het idee om de erfelijke eigenschappen van het menselijk ras gericht te 'verbeteren' kreeg steeds meer aanhangers. Artsen begonnen zich af te vragen of lijders aan tuberculose, alcoholisme of een geslachtziekte nog wel met elkaar in het huwelijk mochten treden. Noordman: “Het was een beweging tegen het verlichtend denken, tegen de maakbaarheid van de samenleving. Men begon zich af te vragen, heeft die opvoedbaarheid niet zijn grenzen? Je kunt wel eindeloos blijven fatsoeneren, maar als de bevolking genetisch zwak is heeft dat weinig effect. De moderne wetenschap levert efficiënter gereedschap, zowel wat betreft ziekte als minderwaardigheid en criminaliteit. Dat gereedschap heette eugenetica.”

Zwakkeren moest verboden worden om zich nog langer voort te planten. “Wat de natuur blind, langzaam en meedogenloos bewerkstelligt, kan de mens doen met vooruitziende blik, snel en humaan”, schreef Galton.

Galton kreeg een groeiend aantal aanhangers, ook in Nederland. De angst om overwoekerd te worden door erfelijk 'minderwaardigen' zat er diep in. De socioloog Steinmetz schreef in 1910: “wie kent ze niet, die zorgelooze, minderwaardige gezinnen hangend op vreemden steun en krioelend van even waardelooze kinderen.” En de arts J. Sanders had het in 1933 tijdens een vergadering van de Nederlandsche Vereeniging voor Geestelijke Gezondheidszorg over 'het onmaatschappelijke kind'. Dat kenmerkte zich door zwakzinnig of psychopathologisch gedrag. Volgens Sanders was dat gedrag erfelijk. En mensen met een dergelijke aanleg plantten zich sneller voort dan de gemiddelde burger.

In Nederland is volgens Noordman nooit enige eugenetische maatregel kansrijk geweest. “Dwangsterilisatie niet, iets anders ook niet. De conventionele voortplantingsmoraal heeft dat belemmerd. De katholieken zaten vast aan de pauselijke encycliek die sterilisatie uitdrukkelijk verbood. De protestanten waren ook fel tegen de verbetering van de schepping. In de Scandinavische landen speelde dat bijvoorbeeld niet zo'n rol. Die waren meer geseculariseerd.”

Bovendien richtte de Nederlandse eugenetica zich meer op het standenprobleem. Er werd geen rassenprobleem van gemaakt, zoals in Duitsland. “De rassenpolitiek van de Duitse collega's stond de Nederlanders niet aan. De ideologie van het nationaal-socialisme maakte de eugenetica zeer verdacht”, aldus Noordman die de eugenetica in Nederland beschouwt als een randverschijnsel.

Volgens Pauline Harmsen, beleidsmedewerker aan de Technische Universiteit Delft, was het wel meer dan dat. “Of er nou wel of niet wettelijke maatregelen zijn genomen, er was een onderliggend gedachtengoed om de bevolking te sorteren in meer- en minderwaardigen. Dat speelde een rol bij onder andere de arbeidsbemiddeling, het maatschappelijk werk en de gezondheidszorg. In 1938 werd een wetsvoorstel ingediend voor de kinderbijslag.Die bijslag ging in bij het derde kind. Er werd voor gepleit om degenen met de laagste lonen 10 cent per kind per dag te geven, terwijl degenen met de hoogste lonen 35 cent per dag zouden krijgen. Zo'n manier van denken kun je niet afdoen als een randverschijnsel.”

Noordman erkent dat er eugenetische aspecten in dat wetsvoorstel zaten. “Maar ik kan het in zijn grond geen eugenetische maatregel noemen. Dan denk ik toch aan sterilisatie of het verbieden van bepaalde huwelijken. En dergelijke ideeën werd door slechts een kleine groep gepropageerd. Je moet de zaak niet groter maken dan hij is.”

Toch sluit Noordman niet helemaal uit dat gedwongen sterilisatie ook in Nederland is uitgevoerd. “Het was weliswaar niet bij wet geregeld, maar misschien dat het in sommige gestichten de gangbare beleidslijn was. Maar ik denk dat je daar weinig sporen van terugvindt omdat het waarschijnlijk niet werd gedocumenteerd.”

Omvangrijk is de eugeneticabeweging in Nederland nooit geweest. De Nederlandse Eugenetische Federatie telde in zijn hoogtijdagen - begin jaren dertig - 700 leden. Enkele jaren later was dat aantal alweer met de helft afgenomen. “De eugenetische beweging heeft al met al wel de oorlog maar niet de jaren '50 overleefd”, schrijft Noordman in zijn proefschrift. In oktober 1949 werd de federatie vervangen door de Nederlandse Anthropogenetische Vereniging. De inmiddels ouder geworden eugenetici moesten het veld ruimen voor een jongere generatie. Volgens Noordman stelde die zich niet langer tot doel om een eventuele 'verdomming' van de bevolking stop te zetten. “Wat van de eugenetica restte was uitsluitend de bestrijding van enkele erfelijke ziekten. De rest was onethisch.”