Een verheugend vooruitzicht

Hoera! Wij worden straks gevisiteerd! Iedereen in mijn plaatselijke Faculteit der Letteren is dan ook vervuld van dat vage gevoel van opwinding dat je onwillekeurig bekruipt wanneer bij het inchecken op een vliegveld het belletje afgaat van het controlepoortje en één van de leden van het veiligheidspersoneel op je afstapt om zijn handen over je lichaam te laten glijden op zoek naar verborgen wapentuig - wie weet heeft iemand zonder dat je het wist iets in je zakken laten glijden en word je straks als een terrorist tegen de grond gesmeten, overmeesterd en geboeid afgevoerd!

Natuurlijk hebben wij het gehele afgelopen jaar ons enthousiast onderworpen aan diepgravende introspectie. Alle tekortkomingen van ons onderwijs en onderzoek hebben we grof-eerlijk uit de doeken gedaan in een uitvoerige zelfevaluatie.

Straks worden we gewogen door een commissie van deskundigen en wie weet wel te licht bevonden omdat we in onze zelfgenoegzame bekrompenheid vele verborgen gebreken van ons werk over het hoofd hebben gezien. Maar gelukkig zullen we dan niet alleen aan de schandpaal worden genageld, nee, de deskundigen zullen ons ook vele nuttige aanwijzingen geven om ons werk in detoekomst te verbeteren. En wee ons gebeente als we die opmerkingen in het toekomstige visitatieraport niet ter harte nemen, want bij de volgende visitatie wordt daar weer op gelet.

Het hele visitatiecircus is jaren geleden in het leven geroepen door de VSNU omdat de verzamelde Nederlandse universiteiten geen ministeriële pottenkijkers wensten. Natuurlijk werd het anders gebracht: de universiteiten zouden veel beter dan welke buitenstaander ook in staat zijn zelf de kwaliteit van onderzoek en onderwijs te bewaken. In feite was er natuurlijk gewoon sprake van een lamlendig gebrek aan zelfvertrouwen en ergerlijke angsthazerij.

Het eindresultaat is nu na al die jaren een bureaucratische rompslomp van jewelste, die pijnlijk aantoont dat veel te weinig mensen in dit land nog Tucholsky lezen.

Toen de niet-westerse studies een aantal jaren geleden ook al eens werden gevisiteerd, heb ik samen met enkele collega's een bezoek mogen brengen aan een vriendelijke en goedwillende ambtenaar van de VSNU die ons zou uitleggen hoe weinig er slechts van ons gevergd zou worden. We konden toen nog volstaan met een eenvoudige zelfevaluatie van het onderwijs, maar als één ding duidelijk werd in dat gesprek dan was het wel dat de betrokken functionaris dacht dat wij de hele dag voornamelijk uit onze neus zaten te eten en blij waren dat we eindelijk iets te doen zouden hebben. Destijds was het eindresultaat veel verhullende zelfevaluaties en afgezwakte oordelen, want de studierichtingen keken wel uit om hun zwakke plekken aan de grote klok te hangen, en de deskundigen, die zelf uit het vakgebied afkomstig waren, wilden (waarvoor hulde!) de belangen van het vakgebied niet schaden en waren daarom bereid heel, heel veel te bedekken met de mantel der liefde.

Inmiddels is de visitatieprocedure aanmerkelijk verfijnd. Het aantal deskundigen is vergroot en zij willen veel meer materiaal inzien. Bovendien bestrijkt de visitatie dit keer niet alleen het onderwijs maar ook het onderzoek. Ook alle clusterbazen hebben dus mogen rapporteren over de vorderingen van het onderzoek binnen hun cluster. Niet alleen moesten wij lijsten overleggen met onze publicaties van de laatste jaren, maar bovendien moesten we daarin kernpublicaties aanwijzen, en iedere cluster moest enkele representatieve publicaties noemen. En was het daarbij nog maar gebleven: alle geselecteerde publicaties moesten in vijfvoud worden aangeleverd. Enkele weken geleden heeft één van de medewerkers van het faculteitsbureau die tonnen papier in zijn wagentje geladen en in Utrecht afgeleverd. Bijna was zijn vering onder het gewicht van al deze hoogwaardige wetenschap bezweken (de faculteit had natuurlijk ook gewoon Van Gend & Loos moeten inschakelen), maar gelukkig, de moderne techniek staat voor niets en hij kon nog met vrouw en kinderen in eigen auto op vakantie.

Nu ben ik geen vreemde in het Jeruzalem van de academische buraucratie en voor vele maatregelen heb ik meer begrip dan de overgrote meerderheid van mijn collega's lief is. Maar dit aspect van de visitatie vervult me toch met bevreemding. Ik heb me laten vertellen dat meer dan honderd deskundigen zijn ingeschakeld bij deze monstervisitatie. Als deze deskundigen echt deskundigen zijn, zou je toch mogen verwachten dat ze de publicaties op hun vakgebied volgen en op de hoogte zijn van wat er door de betrokken onderzoekers wordt geschreven. En als ze al eens door hun drukke werkzaamheden zoals visiteren wat hebben gemist en alsnog wat na zouden willen lezen, dan zullen ze toch, naar ik vertrouw, deskundig genoeg zijn om te weten hoe en waar ze wetenschappelijke publicaties kunnen inzien. (Of gaan ze ervan uit dat de situatie van onze bibliotheken al zo hopeloos is dat ze zich de moeite van de gang naar de bibliotheek kunnen besparen?)

Niemand maakt mij wijs dat alle meer dan honderd visitanten alle duizenden voor hen gekopieerde artikelen ook daadwerkelijk gaan lezen. Ik houd het er maar op dat in een onbewaakt ogenblik één van de vele deskundigen (bij een eerdere visitatie? van een vakgebied waarin artikelen zelden langer zijn dan twee pagina's?) zich heeft laten ontvallen dat het wel handig zou zijn om van alle artikelen een kopietje te hebben, en dat de overijverige VSNU dat vervolgens als een algemene regel in het visitatieprotocol heeft opgenomen.

Boeken hoeven de deskundigen trouwens niet in hun geheel te lezen: die kunnen ze dankzij hun deskundigheid afdoende beoordelen op basis van inleiding en inhoudsopgave. Volgens mij wordt op deze wijze minstens een hectare bos in Finland of Zweden zinloos vernietigd. Het wordt tijd dat het visitatieprotocol niet alleen op kosten maar ook op zijn milieu-aspecten wordt geëvalueerd.

Een ander aspect van deze visitatie is natuurlijk dat de VSNUen haar deskundigen er blijkbaar van uitgaan dat veel van wat we publiceren weinig terzake doet, zeg maar gerust overbodig is, want dat willen de deskundigen immers helemaal niet lezen.

Menselijk als ze zijn hebben de deskundigen de satanische vriendelijkheid om het aan ons zelf over te laten te bepalen welke van onze geesteskinderen van de laatste jaren we van minder waarde vinden. Logisch doorredenerend, hadden we die maar beter überhaupt niet kunnen publiceren. Dat staat natuurlijk haaks op het beleid van de afzonderlijke instellingen, die hun medewerkers op alle manieren achter de broek aanzitten om toch vooral meer te produceren.

Terwijl vrijwel overal in de wereld het marxisme heeft afgedaan, geloven de universiteiten blijkbaar nog steeds dat kwantiteit op een gegeven ogenblik omslaat in kwaliteit.

Nu het echter duidelijk is dat de VSNU zich althans impliciet daartegen afzet, voel ik me voldoende gesteund om een voorstel, dat ik in het verleden slechts aan de borreltafel dorst te doen, nu publiek te maken en aan de gehele wetenschappelijke wereld voor te leggen. Het oude adagium was publish or perish, maar inmiddels is het publish and perish, want wij verzuipen in de stortvloed van onze eigen publicaties. Mijn voorstel is daarom geïnspireerd op het systeem van melkquotering en houdt in dat elke onderzoeker jaarlijks maximaal tien pagina's krijgt toegewezen voor het publiceren van zijn of haar oorspronkelijke inzichten. Iemand die meent dat zijn of haar collega iets zinnigers te berde heeft te brengen en meer ruimte nodig heeft dan zijn of haar tien pagina's, mag eigener beweging zijn of haar quotum ook afstaan, maar het wordt een strafbaar feit om bij anderen te bedelen om pagina's.

Mijn systeem dwingt iedere onderzoeker om zich telkens weer terdege af te vragen of de wereld wel zit te wachten op zijn of haar geniale inzichten en zal resulteren in een belangrijke inperking van de informatie-explosie. Mijn voorstel heeft natuurlijk geen betrekking op nuttige wetenschap als woordenboeken, catalogi, grammatica's, tekstuitgaven en vertalingen, en al die andere boeken die men zelden in zijn noten bij name noemt, maar die dikwijls honderd jaar na verschijning nog steeds worden gebruikt. Ik roep dan ook hierbij de visitatiecommissie letteren op om haar beleid consequent uit te werken en mijn voorstel, voorzien van alle noodzakelijke bureaucratische specificaties, in haar aanbevelingen op te nemen. Het visitatieprotocol van de VSNU is inmiddels zelfs een belangrijk Nederlands exportproduct geworden. Ook Vlaanderen gaat zijn universiteiten visiteren naar Nederlands model.

Mocht u zich afvragen wie er zich voor leent om als deskundige de niet-westerse collega's in Gent en Leuven hart en nieren te proeven, dan hebt u het waarschijnlijk bij het het rechteeind - jawel, ikzelf. Het bier smaakt daar best.