De wereld een dorp; Rijnsburgse lijnrijders wortelen in verwantschap

Vrachtauto's vol bloemen laden en die in Duitsland aan winkeliers verkopen: het principe van het lijnrijden. In Rijnsburg staan deze handelaars in hoog aanzien en zijn ze gezichtsbepalend.

DE EERSTE KEER dat antropoloog Alex Strating zich op bloemenveiling Flora meldde en naar een handelaar vroeg, werd hij prompt naar het andere eind van het terrein gestuurd - om na lang zoeken en doorvragen te merken dat hij het hele eind terug moest. “Rijnsburgse humor kan vrij hard zijn”, zegt Strating. “Je moet er mee weten om te gaan. Ze hebben een rappe tong, iemand 'pakken' hoort bij het spel. Als een bebaard persoon zich voor de koperstribune waagt, klinkt uit ieders keel een luidkeels gemekker en een vrouwelijk personeelslid kan beter geen jurk aantrekken of van beneden naar boven de tribunetrap oplopen. Inkopers werken onder grote stress en met geintjes wordt de spanning gebroken.”

Donderdag promoveert Strating aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift De lijnrijders van Rijnsburg: een antropologische studie van bloemenhandel, verwantschap en identiteit. “Ik houd me bezig met de antropologie van Europa”, zegt hij in zijn Oegstgeestse dorpswoning, op steenworpafstand van de veiling. “Je hoeft niet per se naar Nieuw-Guinea of Latijns Amerika om iets interessants te vinden. In de sociale wetenschap bestaat nu een overdreven aandacht voor globalisering. Ik vind dat bijna een vorm van etnocentrisme.

Omdat men zelf de wereld rondreist zien ze overal om zich heen wereldwijde netwerken en hybride culturen.

Maar voor een groot deel van de Nederlandse samenleving is eerder lokalisering aan de orde. Omdat Rijnsburgers zo lokaal gebonden zijn, weten ze zich in de internationale bloemenhandel staande te houden.''

Lijnrijden is een vorm van bloemenhandel die in Rijnsburg is uitgevonden. Er zijn er op veiling Flora ongeveer 400 actief, bij elkaar goed voor de helft van de omzet. Een lijnrijder is een handelaar die in gezelschap van een bijrijder met een vrachtauto vol bloemen zijn klanten langs gaat en ter plekke probeert zijn waar te verkopen. Het gaat meestal om kleine bedrijven die luisteren naar namen als 'Gebr. Ravensbergen', 'C. en P. van Delft' of 'H. de Mooij & Zn'. Waar commissionairs of exporteurs hun klanten voornamelijk via de telefoon of fax kennen, staat bij lijnrijders de persoonlijke benadering voorop. Een typische lijn telt 25 à 45 klanten: bloemenwinkels, marktkooplui en een enkele groothandel. Afhankelijk van de afstand worden ze tot driemaal per week bediend. Duitsland is favoriet, maar er zijn er ook die op Engeland, Frankrijk of Scandinavië rijden.

Om zijn onderwerp in de vingers te krijgen, heeft Strating in 1991 veldwerk gedaan. “Ik voetbalde samen met een paar lijnrijders in een Oegstgeests elftal en via die contacten kon ik als oproepkracht op veiling Flora terecht. Dat heb ik drie maanden gedaan, 's morgens om vijf uur bloemen inpakken als er werk was en tussen de bedrijven door met mensen praten.

Op die manier stel je al snel geen naieve vragen meer en ben je een interessantere gesprekspartner. Je hebt aan den lijve ondervonden welke aspecten zwaar zijn, welke dingen spanningen oproepen. Ook ben ik een keer of vijftien als bijrijder meegegaan naar Duitsland en Engeland. Dan sjouwde ik bloemen of pakte in, onderwijl mijn ogen en oren goed de kost gevend.

Ook heb ik veilingbestuurders en mensen van de gemeente geïnterviewd, waarbij het feit dat een verre neef een dominee is die ooit door de Rijnsburgse Vrijgemaakt Gereformeerden is beroepen soms een beduidend betere ingang vormde dan mijn aanstelling aan de universiteit: opeens was ik in een vertrouwd maatschappelijk netwerk te plaatsen. En vrijdagmiddags ging ik met lijnrijders zaalvoetballen. Na afloop hoorde je in de kantine hun verhalen en dan stak je een hoop op.''

ZWAAR WERK

Lijnrijden is buitengewoon zwaar werk, ondervond Strating. “Ze houden alles in eigen hand: zelf inkopen, zelf laden, zelf rijden, zelf verkopen en soms ook nog eens zelf de administratie voeren. Toch hebben ze er lol in, nooit heb ik iemand gesproken die aan het rijden een hekel had. Ik zou er vreselijk tegenop zien: zondagavond om negen uur in die vrachtwagen stappen, naar Frankfurt rijden, 's morgens om vier uur in het donker uitladen en eindeloos rijden, stoppen en verkopen, en slapen in die nauwe cabine. Zodra de eerste klant nadert zie je ze scherp worden. De kunst is de klant te dresseren: hij koopt wat jij wilt, en betaalt contant. Vraagt de klant om twee pakken rozen, dan houd je in zijn winkel een derde pak bij een emmer chrysanten en begin je over prachtboeketten. Het is een kwestie van houding, je moet het in je hebben. Ik weet hoe het werkt, maar als lijnrijder zou ik binnen de kortste keren failliet gaan.”

Lijnrijders zijn zeer gesteld op autonomie. Het liefst hebben ze zo min mogelijk te maken met anderen, ze lossen hun problemen zelf wel op. Rijtijden, snelheidslimieten, beladingsvoorschriften, parkeerverboden en andere hinderlijke verordeningen zijn er om overtreden te worden - Blumenbomben, heten de fleurig geschilderde Rijnsburgse vrachtwagens over de grens. In 1991 organiseerde veiling Flora een symposium over de toekomst van de lijnrijderij. Tevergeefs probeerden de Rabobank, de gemeente en het veilingbestuur de honderd aanwezige lijnrijders ervan te overtuigen dat het grootschaliger moest, dat de tijd van erop los pionierende vrije jongens voorbij was, dat samenwerking en lange-termijnplanning geboden waren om als bedrijfstak te overleven. “Allemaal theoretisch gelul”, tekende Strating uit de mond van een aanwezige lijnrijder op.

“Ze kennen de praktijk niet. Juist omdat je de klant goed kent en van inkoop tot en met verkoop alles in eigen hand hebt, win je het van de lokale groothandel.”

De cultuur van de bestuurders verschilt hemelsbreed van die van de lijnrijders. “Bestuurders kennen hiërarchie”, zegt Strating, “ze denken het liefst ver vooruit - dat moeten ze ook - en achten het individu ondergeschikt aan het geheel. Handelaren malen niet om diploma's, wat je aan kennis en vaardigheden nodig hebt pik je van kinds af aan op in je directe omgeving. De wereld van de lijnrijders is in essentie egalitair en fluïde: iedereen kan snel rijk maar ook snel arm worden. De grote binken en de kleine jongens gaan op voet van gelijkheid met elkaar om. Het zijn ook meestal geen directe concurrenten van elkaar en als de een geen tijd heeft belt hij de ander om gerbera's voor hem in te kopen. En lang vooruit denken, op de lange termijn plannen, heeft weinig zin als de prijzen van dag tot dag fluctueren.”

Eigen baas zijn, daar gaat het om. “Bij mij aan de deur in Oegstgeest kwam iedere week een jongetje van veertien jaar met bloemen”, zegt Strating. “Toen ik hem vroeg wat hij wilde worden was het directe antwoord: lijnrijder. Dat ziet hij als een mooi vak. Ook al is er een periode geweest waarin het minder ging, steeds zie je die jongens nieuwe lijnen opzetten.

De Muur was nog geen twee weken gevallen of de eerste Rijnsburgers stonden al met bloemen in Rostock.

Het succespercentage ligt vrij hoog.

Elders in Nederland is handel met een zekere immoraliteit omgeven, maar in Rijnsburg is lijnrijden een eerzaam beroep. Het 'schuim' van de handel wordt geprefereerd boven de 'room' van het land. Kwekers zetten zich voor de vorm op een verjaardag nog wel af tegen handelaren die steevast te lage prijzen voor hun bloemen geven, maar in hun hart hopen ze vurig dat ze via een wijziging in het bestemmingsplan nog eens voor een fatsoenlijk bedrag uitgekocht zullen worden. Dat het lijnrijden in Rijnsburg zo'n hoge vlucht heeft genomen, komt door de armoede van vroeger; het is begonnen met sappelaars zonder grond die een kruiwagen vol met bloemen laadden.

Tegenwoordig is Rijnsburg een welvarend dorp. Een lijnrijder geniet er status.''

NIEUWSTE SCANIA

In Rijnsburg, constateert Strating, doet zich het zeldzame verschijnsel voor dat de domeinen lokaliteit, beroep en verwantschap samenvallen.

“Handelaren mogen individualisten zijn, diezelfde vrije jongens zitten stevig geworteld in het sociale leven.

Geen verjaardag wordt overgeslagen en daar wordt alle informatie uitgewisseld, over het nieuwste type Scania, over de Europese munt, over het Duitse wegennet, over de nieuwe koelboxen in Aalsmeer, enzovoort.

Op die verjaardagen tref je iedereen: de sociale mobiliteit mag groot zijn, de geografische is nihil. Als je als jongetje door al die verhalen wordt aangestoken, is er geen enkele reden het dorp te verlaten en wie gaat studeren heeft er niets meer te zoeken en vertrekt. Dat versterkt het karakter van het dorp. Ook in Roelofsarendsveen of Emmen kun je lijnrijder worden, alleen hebben ze daar geen inbedding.

In Rijnsburg is er altijd wel een neef of zwager aan wie je iets kan toevertrouwen, die niet zeurt als de zaken in tijd uitlopen. Bij een vreemde die tijdens jouw vakantie de lijn doet moet je maar afwachten of hij de rozen niet stiekem voor een pfennig méér heeft verkocht. Het gevolg is dat het voor een buitenstaander ondoenlijk is om een 'echte Rijnsburger' te worden: hij kan het besprokene op zo'n verjaardag niet volgen. Niet dat je wordt buitengesloten, maar tot die familienetwerken dring je gewoon niet door.''

Een lijnrijder die succes heeft laat dat graag zien. Als je gewend bent met vele duizenden guldens contant geld rond te lopen, let je op kleding, moet het interieur thuis er piekfijn uitzien en rij je in een klasse-auto. Strating: “Het hoort bij het spel, het verschaft status maar ook lol. Rijnsburgers zijn niet krenterig. Daar hoort bij dat ze geld uitgeven aan oranjefeesten, dat ze een pupillenelftal van Rijnsburgse Boys sponsoren, dat ze meebetalen aan een meerdelige kostbare genealogie waarin alle afstammelingen van een in 1540 in Rijnsburg wonende boer zijn opgenomen, dat ze voedseltransporten naar Albanië en Transsylvanië op touw zetten - uitgaven waar ze geen enkel economisch belang bij hebben. De Vereniging Oud-Rijnsburg telt 900 leden en dat in een dorp waar ze zo'n beetje alleen het Spinozahuisje hebben laten staan - zonder moestuin. Rijnsburg is het waard zo'n vereniging te hebben, is de mening, en al lezen we die publicaties niet, kopen doen we ze wel.”

Strating trekt hier en daar in zijn proefschrift vergelijkingen met andere culturen, zoals Javaanse handelaren of roddelaars in Andalusië. “De manier waarop een vergelijkbaar verschijnsel elders beschreven is attendeert je op mogelijke aspecten bij de groep die jij onderzoekt. Het scherpt het probleem aan. Zo is over roddel in Andalusië geschreven dat het de sociale controle dient. In Rijnsburg is die verklaring onvoldoende. Roddel, zo merkte ik, dient daar ook om aan de hand van de lotgevallen van een niet-aanwezig persoon je visie te geven op wat wel mag en wat niet. Wat het juiste standpunt is, staat niet bij voorbaat vast.”

Een mooi voorbeeld is de rel die ontstond toen in het boek Rijnsburg, portret van een dorp van Volkskrant-journalist en oud-Rijnsburger Gijs Zandbergen (Thomas Rap, 1994) één van de geïnterviewden zich in negatieve zin uitliet over het gedrag van een van de geslaagdste bloemenondernemers van het dorp. Die had geweigerd de bingo in het dienstencentrum te sponsoren en had met zijn Mercedes een auto die de oprijlaan naar zijn villa blokkeerde in het kanaal gereden zonder de eigenaar achteraf geld toe te stoppen voor een fatsoenlijke andere auto. 'Niet zuiver', luidde het oordeel.

Dat kan op een verjaardag waar de meningen over en weer vliegen, maar geïsoleerd en zwart op wit in druk vastgelegd leidde het in Rijnsburg tot groot tumult. Zelfs werd het boek uit de handel genomen ten faveure van een gekuiste editie. Schade: enkele duizenden guldens - een bedrag waar een beetje Rijnsburger zijn hand niet voor omdraait.