De slag om Soechoemi; Georgische burgeroorlog is de nekslag voor primatenonderzoek

In Soechoemi, hoofdstad van de afgescheiden republiek Abchazië, stond eens het meest befaamde primateninstituut van de Sovjet-Unie. Nu dreigt de reeds sterk uitgedunde mensapenkolonie te creperen. Het lot van de apen leert veel over het menselijk gedrag.

HEL EN PARADIJS ontmoeten elkaar op de apenberg van Soechoemi. Valentin Startsjev had vooraf gewaarschuwd: “Het wordt geen vrolijke excursie. Weet u zeker dat u ons instituut wilt bezoeken?”

Elke twintig treden houdt hij even stil om op adem te komen. Er staat een stevig briesje dat de cypressen doet zwiepen. De lucht ruikt zoet (naar honing) en dan weer zilt (naar de zee, die zich af en toe tussen de bomen door laat zien). Maar na nog twintig treden houdt de Hof van Eden op: in de verte is het gekrijs te horen van gekooide mensapen die te weinig te eten krijgen.

Startsjev schopt tegen een lege kalasjnikov-huls. Het ding tinkelt de trappen af die de Russische geleerde al 41 jaar lang dag in dag uit beklimt op weg naar 'zijn' primaten. “We hebben een afspraak met de broodfabriek. Ieder avond kunnen we de meelresten en de korsten ophalen”, zegt Startsjev als hij bij de hokken met bavianen is aangekomen. “Maar dat is niet genoeg. Kijk maar,van de honger eten ze hun vingers op.”

Zelf heeft de onderzoeker al in geen zeven maanden loon gekregen. Officieel is hij in dienst van de Abchazische Academie van Wetenschappen, maar dat is een instelling die alleen op papier bestaat. Abchazië zelf, als land, bestaat amper. Als splinter van Georgië heeft de provincie aan de Zwarte Zee zich na een bloedige oorlog in 1992 en 1993 afgesplitst en uitgeroepen tot soevereine Republiek - een status die door geen enkel ander land wordt erkend.

Maar aan dat conflict hadden de apen part noch deel. Zij waren er slechts het slachtoffer van. Beschikte de onderzoeksinstelling voor Experimentele Pathologie en Therapie - het meest befaamde primateninstituut van de Sovjet-Unie - vóór de onafhankelijkheidsstrijd over 3.000 mensapen, nu leven er op de paradijselijke berg nog 300 stuks. De populatie is letterlijk gedecimeerd.

De ellende was begonnen met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, waardoor ook het instituut uiteenviel. De belangrijkste laboratoria (voor onderzoek naar allerlei soorten kanker, virusziektes en psychosomatische aandoeningen) bevonden zich in Soechoemi, maar er was ook een afdeling in Adler, honderd kilometer verderop aan de Zwarte-Zeekust. Van de ene op de andere dag (8 december 1991, toen de rode Sovjet-vlag in het Kremlin werd gestreken) lag er tussen Soechoemi (Georgië) en Adler (Rusland) een internationale grens. En omdat de verstandhouding tussen die twee in hoog tempo verslechterde (het zelfstandige Georgië zette zich af tegen zijn koloniale meesters in Moskou), werd het steeds moeilijker de twee onderzoekscentra bij elkaar te houden.

De 800 medewerkers, onder wie Russen, Abchazen, Georgiërs, joden, Grieken en Armeniers, voelden zich voor het eerst gedwongen om hun politieke loyaliteiten kenbaar te maken. Er ontstonden scheuren langs etnische lijnen en de sfeer op het werk werd broeierig, explosief. Startsjev wijst op een door braamstruiken overwoekerde bouwval, waar vroeger de veterinaire dienst kantoor hield. Nee, het gebouw was niet verwoest door oorlogsgeweld, maar het droeg wel de sporen van een hooglopende ruzie: de verzorgers en dierenartsen van verschillende etnische afkomst haatten elkaar zozeer dat ze, om maar niet bij elkaar te hoeven zijn, het kantoortje leeg achterlieten, waarna het verval werd ingezet.

LITTEKENS

De apenverblijven vertonen de littekens van de oorlog. Een torenflat met kooien in plaats van appartementen op elke galerij is van opzij door twee granaten opengereten. De vleugel voor 'apenchirurgie' is half ingestort; je kunt van buiten zo in de operatiekamers kijken. En de werkkamer van Startsjev, met daarin zijn enige exemplaar van zijn proefschrift, is uitgebrand. De onderzoeker heeft zijn promotor in de Verenigde Staten moeten aanschrijven om zijn boek weer in bezit te krijgen.

In de zomer van 1993 liep het front tussen het Georgische leger en de Abchazische rebellen een week lang dwars over de apenberg. Schutters van beide zijden, die zich achter de kooien met rhesus-aapjes en mandrillen hadden verschanst, gebruikten de dieren als schietschijf. Op de dode momenten dat ze elkaar even niet in het vizier hadden, 'oefenden' ze op de apen. Ze openden de hokken in de hoop dat de vijand zich zou laten afleiden door de krijsende en in paniek van boom tot boom springende beesten, en natuurlijk koos elke eenheid er eentje als levende mascotte. Startsjev vraagt zich af of de soldaten wel beseften dat het om proefdieren ging die waren ingespoten met virussen (HIV en hepatitis A), typhus en andere besmettelijke ziektes.

De baas van het instituut, Boris Lapin, was vlak voor de veldslag gevlucht naar de onderzoeksafdeling in Adler, Rusland. Op 5 augustus 1993 schreef hij: “Soechoemi, waar ik officieel nog steeds directeur ben, is bijna dood. De meeste dieren zijn aan de honger bezweken. Andere zijn vermoord of gestolen (...). Enkele dagen geleden is een staakt-het-vuren getekend, maar alleen God weet of het zal worden gerespecteerd. Er is geen spoorlijn, geen luchtbrug en geen wegverbinding meer met Soechoemi. Overal liggen mijnen.”

Onderzoeker Startsjev snuift als de naam Lapin valt. Een lafaard vindt hij hem.Als directeur had hij het hoofdkwartier van zijn instituut pas als laatste mogen verlaten. Maar in plaats daarvan is hij ervandoor gegaan om in Adler voor zichzelf te beginnen. “Vergeet niet dat Lapin een jood is”, zegt de Rus,die daarmee een proeve geeft van het typisch menselijke fenomeen van de etnische haat.

De slachting die zich op de apenberg heeft afgespeeld, zegt veel over het menselijk gedrag. In ieder geval meer dan geleerden als Startsjev willen toegeven. Als gedragsonderzoeker heeft hij zich gespecialiseerd in agressie bij apen. Natuurlijk ging het hem om een beter begrip van het menselijk gedrag,wat nuttig kon zijn voor de schepping van de homo sovieticus. Maar in plaats van dat betere, nieuwe menstype te creëren viel de Sovjet-Unie uiteen, en de proefdieren waarop de wetenschappers hun ideeën hadden getest, werden wreed vermoord door de bewoners van het arbeidersparadijs.

Startsjev had onder meer het volgende experiment uitgevoerd: telkens als een mannetjes-aap op het punt stond te gaan paren, haalde hij gauw het wijfje weg, en ja, daarna koelde het mannetje onbesuisd zijn woede op zijn soortgenoten.

Het inzicht had bijgedragen aan de communistische zedenleer, waarin een frequente geslachtsdaad niet als pervers werd gezien, mits de duur ervan zich maar beperkte tot “één à twee minuten”.

De apenberg van Soechoemi was wat betreft de gedragsstudies een miniatuur laboratorium binnen die hele grote proefopstelling die de USSR heette.

De beruchte Sovjet-psychiatrie, die zich vooral onder partijleider Brezjnev richtte op het 'behandelen' van dissident gedrag, leunde voor een deel op modelstudies op apen in dit instituut aan de Zwarte Zee.

Behalve als onderzoeker heeft de 68-jarige Startsjev in de communistische tijd gewerkt als 'politiek commissaris', ofwel als bewaker van de juiste ideologische lijn. Iedere fabriek of instelling in de Sovjet-Unie beschikte over zo'n Afdeling Nummer 1. Het was Startsjevs taak om afwijkend gedrag onder de stafleden op te sporen en te bestraffen. Ook is er op zijn initiatief een standbeeld verrezen van een mandril in een stervormige vijver. De inscriptie is een eerbetoon en tegelijk en excuus aan de proefdieren die moesten lijden en sterven ten behoeve van de opbouw van de socialistische heilstaat.

ISOLEMENT

En waar hebben alle inspanningen toe geleid? Zeker, er zijn in de loop der jaren vaccins tegen tetanus, typhus, cholera en difterie getest, evenals de Sovjet-versie van de anti-conceptie pil. Er zijn geheime en minder geheime proeven gedaan naar “de effecten op het organisme onder extreme omgevingsfactoren”, een eufemisme voor onder meer het blootstellen van apen aan radio-actieve straling. Ook zijn er rhesus-aapjes opgeleid voor ruimtevluchten in de BION-spoetnik, zoals het aapje Zabijaka dat een eenvoudig paneel met knoppen kon bedienen en wist hoe het voedsel uit tubes tot zich moest nemen. “Alle apen op een na hebben de vlucht overleefd”, schrijft Boris Lapin per e-mail uit Adler, waar hij een Russisch primatencentrum aan het opbouwen is. “Hun organisme past zich op dezelfde manier aan als dat van mensen onder gewichtloosheid, waardoor we een schat aan informatie hebben gevonden voor de bemande ruimtevaart.”

In Soechoemi is er praktisch niets meer te redden. Onder de laurierbomen in een gebouwtje zonder dak hangt een taps toelopende centrifuge waarin Zabijaka en haar lotgenoten konden wennen aan de condities aan boord van het ruimteschip. Regen en wind hebben nu vrij spel; het apparaat is verroest en door ongedierte aangevreten. Op de grond liggen stapels kettingformulieren en schriften met gegevens die zijn vervaagd.

Startsjev en een handvol achterblijvers doen hun best om op zijn minst de 300 overgebleven dieren in leven te houden, maar dat valt niet mee. Rusland boycot het kleine Abchazië in de hoop dat de bevolking haar onafhankelijkheid opgeeft. Een hulpcontainer uit Duitsland, met 800 kilo krachtvoer en vitamine-preparaten voor apen, staat sinds oktober vorig jaar bij de grens en wordt niet vrijgegeven omdat er op de vrachtbrief 'Republiek Abchazië' staat vermeld.

Zo sterk is het isolement dat zelfs telefoneren naar het buitenland uit Abchazië vrijwel onmogelijk is. De banden met andere wetenschappelijke instellingen in de wereld zijn dan ook verbroken. Het instituut in Soechoemi beschikt nog wel over een schrijfmachine, waarop de uitgedunde staf een wanhopige, vijf kantjes tellende brief heeft getikt. Het is een noodkreet om hulp en tegelijk een uitnodiging voor de 'viering' van de 70ste verjaardag van het onderzoeksstation, deze maand. “Opgemerkt moet worden dat ons instituut nog steeds bestaat”, schrijft de huidige directeur A. N. Goov.

Het was de in 1936 overleden wetenschapper Iwan Petrovitsj Pavlov, bekend van de Pavlov-hondjes en de Pavlov-reactie, die aan de wieg van het primatenonderzoek heeft gestaan. Hoewel Pavlov lange tijd met honden werkte was hij tegen het eind van zijn leven tot het inzicht gekomen, dat het bestuderen van apen interessanter was, omdat ze zo dicht bij de mens staan. Op de apenberg staat nu een beeld van hem, met aan zijn voeten een hondje. Het monument is gepokt met kogelgaten.

De directeur schrijft in zijn brief dat er in Soechoemi nog welgeteld één lopend onderzoek is: een studie naar oorlogstrauma's bij apen: “We bestuderen de dynamiek van de apenkolonie onder extreme invloeden van buitenaf en de rol van stress op de fysieke gesteldheid van de dieren.” “Een van die externe factoren is vijf jaar systematische ondervoeding”, licht Startsjev toe, terwijl hij een handje klaver voert aan een aapje dat op de tegels van zijn kooi ligt te creperen.

Het onderzoek naar oorlogstrauma's bij apen lijkt een oefening in menselijke bescheidenheid. “De gegevens die we verzamelen kunnen van pas komen bij de beoordeling van de mentale toestand van de overlevenden van de oorlog in Abchazië”, schrijft directeur Goov in zijn met carbonpapier vermenigvuldigde brief. Wil het instituut ooit nog uit zijn as herrijzen, dan is het zaak de laatste apen in leven te houden. Maar de grootte van de in gevangenschap levende kolonie slinkt gestaag en er is een gebrek aan verzorgers die het zonder loon moeten doen. “We zijn als monniken in een vergrijzend klooster”, zegt Startsjev. “Alleen de oudste medewerkers zijn gebleven, de jongeren zijn gevlucht of hebben het te druk om voor hun familie te zorgen.”

De enige populatie die zich goed in stand weet te houden, zijn de mantelbavianen die in de buurt van het vliegveld van Soechoemi werden gefokt.

Tijdens de oorlog werd daar om elke vierkante meter gevochten. De Georgiërs, die de strategische luchthaven bezet hielden, probeerden uit alle macht de oprukkende Abchaziërs op afstand te houden, maar ze moesten zich in de nazomer van 1993 halsoverkop terugtrekken. Op hun vlucht vernielden ze de fokkerij in het nabijgelegen dorp Goemitsa en lieten de dieren aan hun lot over.

Vier jaar nadien weet zich in de bossen rond de verlaten luchthaven nog altijd een groep van zeventig tot honderd bavianen te handhaven. Startsjev zou ze willen tellen, observeren (waarmee houden ze zich in leven?) of vangen. “Maar niemand durft erheen”, zegt hij. “Het wemelt er van de mijnen.”