DE PREMIER VAN DE RODE DUIVELS

Voetballen is zijn passie. Zweten, juichen, schreeuwen en zelfs schelden doet hij tijdens elke wedstrijd die hij volgt. Regelmatig verlaat hij uitgeput van spanning en emotie het stadion. Jean-Luc Dehaene (57), eerste minister van België, is een echte supporter.

Een heel klein beetje zenuwachtig is hij wel. Jean-Luc Dehaene is al aan het aftellen. Het is nog twee dagen voor de 'grote match' tussen de Belgen en de Hollanders.

Onlangs tijdens zijn laatste ontmoeting met Wim Kok, had hij er al bij zijn Nederlandse collega op aangedrongen samen met hem naar De Kuip te gaan. Een voetbalwedstrijd van de Rode Duivels wil de premier van België zeker niet missen.

Want hij is echt gek van voetballen. Hij is een echte supporter, van de Belgen, maar vooral van Club Brugge, zijn jeugdliefde.

In het kantoor van de Belgische premier in Brussel veegt hij met zijn hand over zijn voorhoofd wanneer hem bij het naderende afscheid wordt gevraagd nog even een voorspelling over de wedstrijd te doen. Hij blaast, zucht, denkt na, neemt een slokje uit zijn glas plat water en plooit zijn gezicht uiteindelijk tot een verlegen glimlach. “Ik ga als een echte supporter. En die denkt altijd dat zijn ploeg gaat winnen. Maar als ik de kansen van afstand bereken, zeg ik: een gelijkspel. Dat zou namelijk een overwinning zijn na de schande die vorig jaar over ons werd uitgestort toen we in Brussel van de Hollanders verloren. Ik ben toch niet helemaal gerust na die kater in het Heizelstadion.”

Pas op, wanneer Dehaene zegt dat hij een supporter is, dan is hij ook een echte supporter, een aanhanger die zweet van de spanning, die meeleeft, kreunt, juicht, een traantje wegpinkt en hartgrondig scheldt wanneer het moet. Op de tribune laat hij zich gaan. Wim Kok en al die andere hoogwaardigheidsbekleders rondom hem in de ereloge zijn dus gewaarschuwd.

Ter illustratie herinnert hij aan een wedstrijd tussen België en Tsjechoslowakije.

Als eerste minister moest hij naast de koning van België zitten. Niet van harte, maar het protocol vraagt erom. “Toen we de tribune opgingen zei ik tegen de koning: 'Sire, ik weet dat ik mijn mond moet houden tijdens de wedstrijd. Maar ik weet niet of ik het kan.' Op een gegeven moment wordt Philip Albert met een rode kaart uit het veld gestuurd. Ik roep: 'Godverdomme Albert' en denk gelijk aan de koning. Ik kijk hem aan en ik zie hem lachen. 't Is niks Jean-Luc, 't is goed.' Begrijpt u nu hoe ik ben op de tribune?”

Al sinds zijn jeugd is Dehaene supporter van Club Brugge, de club waar hij heeft genoten van spelers als Lambert, Rensenbrink, Le Fèvre, Ceulemans en waar hij de tijden heeft meegemaakt van trainer Happel. Hij kende hen niet persoonlijk. Voor zijn ministerschap zat hij gewoon op de tribune en volgde hij op afstand de prestaties van de Bruggelingen. Aan zijn zijde altijd zijn vrouw. “Met haar had ik mijn eerste afspraak bij Club Brugge. We leven altijd zwaar mee. Als ik niet ga, gaat zij. Na de wedstrijd ben ik uitgeput, moe en leeg.

Voetbal is voor mij afleiding en ontspanning. Wat ik in het dagelijks leven meemaak, vraagt om periodes van distantie. In mijn job kan ik mijn emoties niet kwijt. Wel in het voetbal. Door mijn beleving bij het voetbal vind ik een psychisch evenwicht.''

Hij is altijd een liefhebber van het voetbal geweest. Tot grote spijt van zijn vader en het milieu waaruit de christen-democraat Jean-Luc Dehaene stamt, een sfeer van pastoors en artsen, van mensen die bij voorkeur afstand nemen van een volks vermaak als voetbal. “Mijn vader was geen liefhebber”, zegt Dehaene met mildheid in zijn doorgaans luide stem. Op het college van de jezuïeten maakte Jean-Luc tot zijn grote vreugde kennis met de bekoorlijkheden van het edele voetbalspel. Zelf was hij geen groot speler, geeft hij grif toe, want aan bewegen heeft hij een hekel. Dus was hij doelman. Hij wilde op zondagmiddag zoals iedere jongen naar de grote wedstrijden, maar vader gaf geen toestemming, dus vond Jean-Luc een vriend van zijn vader bereid hem mee naar het stadion te nemen.

Dan nog liever naar Cercle dan naar Club, vond zijn vader. Maar Jean-Luc vond het maar niks bij Cercle, de katholieke club, de club van de bourgeoisie, de salonclub, waar keurige mensen kwamen en emoties niet de vrije loop mochten hebben - schelden deed men niet. “Ik was voor Club, daar was ambiance, daar leefden de mensen op bij het zien van voetbal. Daar was emotie, daar lieten mensen zien wie ze waren. Het was een volksclub, een club waar het volk liefde vond in het voetbal en nog altijd vindt. In het Olympia Stadion voel ik me thuis, onder de mensen, daar waar emotie mag zijn.”

Zelf heeft hij nooit in clubverband gevoetbald. Hij was weliswaar een fanatiek en trouw speler van het schoolelftal, maar lid worden van een voetbalclub hoorde niet bij de status van zijn familie. Bij Cercle had hij misschien nog mogen voetballen, maar dat wilde hij juist niet. In plaats van voetbal moest hij kiezen voor het lidmaatschap van jeugdbewegingen, omdat zijn familie daaraan hechtte, zoals de padvinderij - leuk maar niet zo leuk als voetbal.

“Weet u dat ik emotioneel meer lijd van een nederlaag van Club Brugge, dan van de val van mijn regering. Dat laatste zou ik ervaren als zakelijk, afstandelijk. Daar zijn rationele verklaringen voor te vinden. Maar bij een nederlaag van Brugge staat mijn verstand stil.”

Dehaene hangt achterover op de leren bank van zijn kantoor. Rondkijken en zoeken naar attributen die met voetbal te maken hebben heeft geen zin, zegt hij. “U zult hier niets vinden dan boeken en geschriften die met mijn werk te maken hebben.”

Schilderijen rondom, een enkele foto van familie en van hemzelf slapende naast een hoogwaardigheidsbekleder, en een indrukwekkend bureau. Zaken en hobbies heeft hij gescheiden. Het ligt voor de hand dat Dehaene met zijn passie voor voetbal zijn ministeriële invloed zou kunnen aanwenden om het voetbal in België naar grote hoogten te stuwen. Maar Dehaene is duidelijk: “Het is goed dat voetbal wordt geregeld door managers en bestuurders die afstandelijk zijn. Emotie leidt tot verkeerde dingen, tot chaos. Ik zou dus niet geschikt zijn om over voetbal te beschikken. Ik ben te veel supporter.”

Maar hij heeft toch wel een mening? Ja, natuurlijk, zoals iedere voetbalsupporter.

En pas op, hij trekt het zich heus wel aan dat het voetbal in België in een diep dal zit.

“Maar het diepste punt is voorbij”, zegt hij zoals een positieve supporter betaamt.

“De voetbalgemeenschap heeft zich in slaap laten sussen. Doordat Bosman-arrest moeten de clubs nu op de blaren zitten, zeker in België. De beste spelers zijn vertrokken naar het buitenland. Anderlecht en Brugge tellen internationaal niet meer mee en moeten nu zelf Lierse en Moeskroen naast zich dulden. Er is een destabilisatie opgetreden. De voetbalwereld heeft te lang gedacht dat het boven de maatschappij kon leven. Ze dacht haar eigen wetten te kunnen maken. En nog altijd wekt ze de indruk buiten de gewone-mensen-wereld te kunnen bestaan. Sommige bestuurders, managers en spelers doen maar en denken dat ze in een andere wereld leven.”

Dehaene vindt de discussie in Nederland over Kluivert, die buiten het veld omstreden gedrag vertoont, en in België over De Bilde, die zich zowel in en als buiten het veld heeft misdragen, “interessant maar gevaarlijk”. Hij zegt: “We moeten opletten dat we deze vedetten niet meer beschermen dan andere mensen, omdat ze toevallig de status van een populaire of uitzonderlijke voetballer hebben. Maar we moeten helemaal opletten dat we deze vedetten niet méér straffen dan andere mensen omdat ze een bepaalde status hebben. Wat beroemde en populaire mensen, zoals voetballers, zoal doen mag niet leiden tot Berufsverbote.”

Voetbal is in een stevige greep van de commercie geraakt. “Te veel geld in voetbal pompen is gevaarlijk als het kunstmatig gebeurt, zoals in Frankrijk”, waarschuwt Dehaene. “Voetbal moet je niet in stand houden door overheidsubsidies.

Voetbal moet zichzelf helpen. Door recettes en goede sponsoring. Helaas voor de noordelijke clubs is er een achterstand op de zuidelijke clubs van Europa. Die toeschouwersaantallen van 60.000 tot 100.000 die in Italië en Spanje worden geteld zijn hier nooit mogelijk. Mensen in die landen hebben meer behoefte aan voetbal dan hier. Ze hebben minder luxe en daarom meer afleiding nodig. Cultuur en temperament zijn anders dan hier. Die achterstand zullen ze hier niet ongedaan kunnen maken. Daarom is het oppassen dat hier in het noorden geen kunstgrepen worden toegepast om te wedijveren met het voetbal in het zuiden.''

De uitvergroting van het voetbal ziet Dehaene niet als een gevaar voor het voortbestaan van het voetbal. “We kunnen ons wel druk maken over de grote verschillen die gaan optreden tussen de topclubs en de kleine clubs, maar dat heeft geen zin. Voetbal gaat dezelfde kant op als theater. Het grote theater vindt plaats in de grote steden of op televisie, het kleine theater vindt plaats in de dorpsgemeenschappen. Wie goed voetbal wil zien kijkt naar Milan, Juventus, Real Madrid en Manchester United, wie wil genieten van de sfeer van het kleine voetbal gaat naar zijn eigen club in de stad of het dorp. Dat is de ontwikkeling die gaande blijft, de Europese competitie is niet ver meer. Maar dat is geen negatieve ontwikkeling, zolang het kleine voetbal maar mag blijven bestaan.”

Grotere en modernere stadions waar het aantal ereloges de publieke tribunes dreigt te overstijgen, baren Dehaene als liefhebber van de volkse sfeer nog geen zorgen. “Voetbal blijft een sociale betekenis hebben. Mensen ontmoeten elkaar. Of het nu in de vip-loge is of op de tribune.

Wie mensen wil ontmoeten gaat naar het voetbal en ontmoet ze daar. In de lift van een gebouw praat niemand met elkaar, op straat ook niet meer. Zie een voetbalwedstrijd als een grote receptie waar iedereen het glas kan heffen op het samenzijn en kan praten over voetbal en andere zaken. Als mensen elkaar niet meer in het voetbalstadion ontmoeten, waar dan wel? Ja, in het theater. Maar dat is toch niet hetzelfde.''

Dehaene benadrukt dat hij altijd op de tribune gaat zitten en niet achter glas in de vip-loge. “Ik drink daar wel even een glas, ik geef de mensen een hand, praat met hen, maar dan ben ik toch weg, naar de tribune.

Ik wil voetbal van dichtbij beleven. Ik wil het lawaai en de spanning voelen. Ik wil met de mensen zijn en ervan genieten.” Of hij nog een favoriet heeft? “Frankie Vanderelst, een speler met een stijl die me aanspreekt. Altijd doorgaan, altijd in dienst van de ploeg. En hij is van Club Brugge, de mooiste club van België, mijn club, altijd geweest.”